Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-11-22
ECLI:NL:GHAMS:2024:3678
Strafrecht
Hoger beroep
498 tokens
Inleiding
parketnummer: 23-001245-23
Arrest van het gerechtshof Amsterdam tot herstel van het arrest gewezen op 3 oktober 2024 op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-136560-22 (hierna: zaak A) en 13-243297-22 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
adres: [adres].
Fout in dictum inzake de beslissing op de voorlopige hechtenis
Het hof heeft in voormelde strafzaak op 3 oktober 2024 arrest gewezen. Uit de strafmotivering blijkt dat het hof aan de verdachte onder meer een jeugddetentie voor de duur van 610 dagen, met aftrek van het voorarrest, heeft opgelegd. Uit de strafmotivering blijkt voorts dat deze jeugddetentie gelijk is aan de straf die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft in voormeld arrest abusievelijk nagelaten om in het dictum op te nemen de beslissing tot opheffing van het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de mogelijke gevolgen van deze misslag voor de executie, zijn eerder gedane uitspraak hersteld dient te worden door de volgende aanvulling op het dictum.
Dictum
Het hof vult zijn beslissing uit het arrest van 3 oktober 2024 als volgt aan:
Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. C.J. van der Wilt en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 november 2024.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.