Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-12-17
ECLI:NL:GHAMS:2024:3641
Strafrecht
Hoger beroep
1,165 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000797-24
datum uitspraak: 17 december 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-237456-21 en 16-130628-19 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 december 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot het nietig verklaren van de dagvaarding in eerste aanleg en tot terugwijzing van de zaak, en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 3 september 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (met een dealersindicatie) ongeveer 3,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4,61 gram en/of een hoeveelheid kristallen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de geldigheid van de inleidende dagvaarding in het kader van artikel 422a van het Wetboek van Strafvordering tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in eerste aanleg niet rechtsgeldig is betekend en dat daarom de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard. De raadsman heeft het hof verzocht de zaak terug te wijzen naar de politierechter.
Het hof overweegt als volgt. In het procesdossier bevindt zich een inleidende dagvaarding gedateerd 23 januari 2024, alsmede een akte van uitreiking waarop is aangekruist dat de dagvaarding op 26 januari 2024 niet is uitgereikt. Het lijkt er op dat deze dagvaarding retour is gezonden aan het openbaar miniserie, gezien de stempel Ingekomen 29 jan 2024 van het K.C.C. (onderdeel van het openbaar ministerie).
Gezien de akte van uitreiking van 20 februari 2024 lijkt het erop dat het openbaar ministerie vervolgens een afschrift van deze dagvaarding heeft verzonden aan het BRP-adres van de verdachte.
Het hof stelt vast dat op laatstbedoelde akte weliswaar niet is aangekruist dat de dagvaarding daarnaast is uitgereikt aan het openbaar ministerie, maar dit maakt nog niet dat sprake is van een nietige dagvaarding.
Gelet echter op het feit dat zich in het procesdossier naast de dagvaarding gedateerd 23 januari 2024 ook een dagvaarding gedateerd 20 februari 2024 bevindt, is de kennelijk veronderstelde relatie tussen de dagvaarding van 23 januari 2024 en de akte van uitreiking van 20 februari 2024 bij het duiden van de wijze van betekening niet geheel duidelijk.
Om deze reden kan het hof niet anders concluderen dan dat de inleidende dagvaarding nietig is, nu niet kan worden vastgesteld dat aan de minimale betekeningsvereisten zoals vastgelegd in artikel 36e, tweede lid onder b, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg nietig.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. D.A.C. Koster en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid dit arrest mee te ondertekenen.