Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-09-11
ECLI:NL:GHAMS:2024:3639
Strafrecht
Hoger beroep
1,425 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag 1] 1969, te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),
ingeschreven aan het adres [adres].
1Procedure
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 september 2022 is onder meer ter zake van belaging aan veroordeelde een tweetal vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Een van deze maatregelen behelst “dat veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster], geboren [geboortedag 2] 1963 te [geboorteplaats 2], noch met haar direct familie (dochter en/of zus)”.
De rechtbank heeft bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (één van) de opgelegde maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis is bepaald op 14 dagen voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan.
Deze maatregelen zijn bij vonnis dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Op 24 augustus 2024 is de veroordeelde op last van de officier van justitie aangehouden wegens het niet naleven van eerder genoemde maatregel op 23 augustus 2024.
Op 25 augustus 2024 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris een vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis ingediend voor de duur van 25 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De officier van justitie heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de veroordeelde zich niet aan de genoemde maatregel heeft gehouden zoals blijkt uit het proces-verbaal d.d. 23 augustus 2024 waarin staat dat verdachte naar [aangeefster] heeft gebeld.
De rechter-commissaris heeft deze vordering op 26 augustus 2024 behandeld, en de veroordeelde, in het bijzijn van zijn raadsman, gehoord. Bij beslissing van 26 augustus 2024 heeft de rechter-commissaris de vordering toegewezen en de gehele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen bevolen omdat er volgens hem ernstige redenen bestonden voor het vermoeden dat de veroordeelde bewust de maatregel niet heeft nageleefd.
Op 26 augustus 2024 heeft de veroordeelde op grond van artikel 6:6:22, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
Op 4 september 2024 heeft de voorzitter van het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 6:6:22, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering een beslissing genomen volgens welke geen termen aanwezig werden geacht om, hangende de beslissing op het tegen de beslissing van de rechter-commissaris ingesteld beroep, het bevel tot tenuitvoerlegging op te heffen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van 11 september 2024. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman
mr. O. Qane.
2Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting verzocht het beroep gegrond te verklaren en de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen, nu de resultaten van het onderzoek deze beslissing niet kunnen dragen.
3Standpunt van veroordeelde
De veroordeelde heeft zich ter terechtzitting allereerst op het standpunt gesteld dat hij de aangeefster niet heeft gebeld en zodoende de maatregel niet heeft overtreden.
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de rechter-commissaris gestoeld is op slechts een aangifte waarin de aangeefster zegt dat zij gebeld is door de veroordeelde en dat zij de stem van veroordeelde herkende. Verder wijst niets naar enige betrokkenheid van veroordeelde, ook niet het onderzoek van de politie naar het telefoonnummer waarmee aangeefster is gebeld.
Beoordeling
Het beroep is tijdig ingesteld, namelijk binnen 14 dagen na de beslissing van de rechter-commissaris. De veroordeelde kan daarom in het beroep worden ontvangen.
Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen met een e-mailbericht waarin aangeefster melding ervan doet dat de veroordeelde haar gebeld heeft, met daarbij een screenshot van het inkomende telefoonnummer.
Aangeefster heeft een en ander telefonisch tegenover de politie bevestigd en daarbij melding gemaakt van enkele uitspraken die zij de veroordeelde door de telefoon hoorde doen.
Uit de stukken blijkt niet van een relatie tussen het telefoonnummer waarmee gebeld zou zijn en de veroordeelde.
De veroordeelde ontkent de beschuldigingen.
Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat er onvoldoende grond is om vast te stellen dat de veroordeelde zich niet aan de vrijheidsbeperkende maatregel heeft gehouden.
Het hof acht het hoger beroep gegrond.
Dictum
Het hof vernietigd de beslissing van de rechter-commissaris en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis af.
Deze beslissing is genomen door mrs. M.J.A. Duker, L.I.M. van Bergen en B. van der Werf, in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoğlu, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 september 2024.
De jongste raadsheer is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.