Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2024-10-22
ECLI:NL:GHAMS:2024:3614
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 23/415 en 23/462 22 oktober 2024 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Bakker) alsmede op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. tegen de uitspraak van 14 april 2023 in de zaak met kenmerk AMS 21/6042 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft met een beroep op artikel 28, eerste lid, van de Wet WOZ bij de heffingsambtenaar een verzoek gedaan tot afgifte van een WOZ-beschikking voor het object [straat] te Amsterdam (hierna: de woning). 1.2. De heffingsambtenaar heeft de afgifte van de aangevraagde beschikking geweigerd. 1.3. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als eiseres): “De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 november 2021; draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak te doen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 697,50.” 1.5. De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld (zaaknummer 23/415). Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak ook hoger beroep ingesteld (zaaknummer 23/462). De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2024. Beide hoger beroepen zijn op de zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2 Feiten 2.1. Gemeente Amsterdam heeft erfpachters de mogelijkheid geboden om over te stappen naar eeuwigdurende erfpacht of afkoop van de erfpacht (hierna: de overstapregeling). De canon of afkoopsom wordt in de regel mede bepaald aan de hand van de WOZ-waardebeschikking voor het jaar 2015 of 2016. Indien geen WOZ-beschikking voor het jaar 2015 of 2016 is afgegeven, of wanneer de WOZ-waarde is gebaseerd op een woning in aanbouw, wordt de canon of afkoopsom bepaald aan de hand van een door het gemeentelijke grondbedrijf (de afdeling Grond & Ontwikkeling van gemeente Amsterdam) bepaalde waarde, de ‘onbezwaarde waarde’ geheten. 2.2. Belanghebbende was in 2021 erfpachter van de woning en heeft in het kader van de overstapregeling de heffingsambtenaar verzocht om voor het jaar 2015 een WOZ-waarde vast te stellen. De heffingsambtenaar heeft het verzoek afgewezen omdat de woning op 1 januari 2015 nog niet was opgeleverd en daarom geen WOZ-waarde voor een afgebouwde woning beschikbaar was. 2.3. De (daadwerkelijke) bouw van het appartementencomplex waarin belanghebbendes woning zich bevindt, is aangevangen in het jaar 2017. 2.4. In de brochure van gemeente Amsterdam inzake “Onbezwaarde aarde, maatwerk BSQ en procedure van bedenkingen” (versie 1.0 van 27 juni 2019), staat onder meer het volgende; Erfpachters vernemen de ‘onbezwaarde waarde’ en het overstapaanbod via een persoonlijk informatiepakket op het overstapportaal van gemeente Amsterdam. De erfpachter die het niet eens is met de ‘onbezwaarde waarde’ kan bij het gemeentelijke grondbedrijf bedenkingen uiten. De procedure voor het uiten van bedenkingen schrijft voor dat de directeur Grond en Ontwikkeling een reactie met een inhoudelijke beoordeling stuurt op de geuite bedenkingen. Eiseres voert tot slot aan dat de procedure die gevolgd kan worden tegen de vastgestelde onbezwaarde waarde met minder waarborgen is omkleed dan de bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep. Tegen de hoogte van de onbezwaarde waarde kan een procedure van bedenkingen worden gevoerd, en kan worden opgekomen bij de ombudsman en de civiele rechter. Deze ongelijke behandeling van woningeigenaren is in strijd met artikel 1 van de Grondwet en internationale antidiscriminatiebepalingen en antiwillekeurbepalingen. Eiseres wijst op de Memorie van Toelichting bij de Wet WOZ. Daarin staat dat het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk is dat ieder die de gevolgen ondervindt van een met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak genomen beslissing voor de belastingheffing de mogelijkheid wordt geboden om tegen de waardebeschikking bezwaar en beroep aan te tekenen. Volgens eiseres moet daarom alsnog een waardebeschikking worden afgeven alsof de woning was afgebouwd. 15. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam in de uitspraak van 1 maart 2022 heeft overwogen dat bij de waardering van een woning op grond van de Wet WOZ het wettelijk waardebegrip het uitgangspunt is. Het doel waarvoor de waarde wordt vastgesteld, in dit geval als grondslag voor de overstapregeling, is niet van invloed op de wijze waarop de heffingsambtenaar de waarde dient te bepalen. Van strijd met de door eiseres genoemde rechtsbeginselen zoals antidiscriminatiebepalingen is derhalve geen sprake. Van de door eiseres gestelde willekeur is evenmin gebleken. Hetgeen in de Memorie van Toelichting staat en waar eiseres op wijst, heeft betrekking op het gegeven dat een nieuwe belastingplichtige een rechtsingang wordt geboden ten aanzien van een voor hem geldende waarde. Dit betekent niet dat de waarde moet worden bepaald op andere wijze dan de Wet WOZ voorschrijft. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 16. Het beroep is gegrond. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en heeft ten onrechte geen waardebeschikking voor 2015 afgegeven. Dat had wel gemoeten, omdat ook het waardegegeven van een woning in aanbouw gebruikt wordt in het kader van de overstapregeling. Er bestaat verder geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar een waardebeschikking voor 2015 moet afgeven alsof de woning al was afgebouwd. De heffingsambtenaar zal daarom opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen en met inachtneming van deze uitspraak een waardebeschikking voor 2015 dienen af te geven. 17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt. 18. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 april 2022 en 0,5 punt voor het verschijnen op de zitting van 13 februari 2023, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt de onderhavige zaak bij de veroordeling van de proceskosten aan als samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht met de zaken AMS 21/6042 en AMS 21/6043. De desbetreffende zaken zijn in beroep gelijktijdig behandeld, terwijl de beroepsmatige rechtsbijstand in deze zaken is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van deze gemachtigde in elk van deze zaken nagenoeg identiek konden zijn. De te vergoeden proceskosten van in totaal € 2.092,50 worden daarom verdeeld over de drie zaken. Het bedrag aan te vergoeden proceskosten met betrekking tot de onderhavige zaak wordt vastgesteld op € 697,50.” 5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar verzocht voor het jaar 2015 bij beschikking een WOZ-waarde vast te stellen voor de woning, zijnde een object waarvan de bouwwerkzaamheden eerst in het jaar 2017 zijn begonnen. Belang