Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-02-15
ECLI:NL:GHAMS:2024:345
Strafrecht
Hoger beroep
2,175 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003077-22
datum uitspraak: 15 februari 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2022 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-191747-22 (zaak A) en 15-147938-22 (zaak B), alsmede 15-110453-21 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
adres: [adres 1].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 15-191747-22 (hierna: Zaak A):
hij op of omstreeks 30 juli 2022 te Beverwijk, een snorfiets (merk Tomos met kenteken [kenteken]), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Zaak met parketnummer 15-147938-22 (hierna: Zaak B):
hij op of omstreeks 2 februari 2022 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 2], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof in zaak B tot een andere beslissing komt dan de politierechter en mede daarom tot een andere strafoplegging komt.
Vrijspraak zaak B
De advocaat-generaal heeft betoogd dat het onder B ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en ter onderbouwing daarvan verwezen naar de aangifte van [slachtoffer], de getuigenverklaring van [getuige], het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden en de herkenning van de verdachte door de verbalisant.
Het hof kan, gelet op de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte is verklaard, in onderling verband en samenhang bezien, niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.
Met name acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat tussen de verdachte en de andere verdachte [medeverdachte] sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, nu het dossier onvoldoende bewijs bevat dat sprake is geweest van een vooropgezet plan tussen de verdachte en [medeverdachte], waarbij de verdachte – zoals door de advocaat-generaal is betoogd – degene is geweest die de aangeefster moest afleiden tijdens de insluiping door [medeverdachte]. Onvoldoende valt daarom uit te sluiten dat de insluiping een eenmansactie van [medeverdachte] was.
Naar het oordeel van het hof is om deze reden niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak B is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging zaak A
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde schuldheling.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdediging zich neerlegt bij de door de politierechter bewezenverklaarde schuldheling.
Oordeel Hof
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets wist dat deze van misdrijf afkomstig was, zodat de verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde opzetheling dient te worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldheling van de snorfiets. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan de verdachte een snorfiets voor een prijs van € 20 en pep (speed) werd aangeboden en dat er geen sleutels of papieren bij de snorfiets zaten toen de verdachte de snorfiets voorhanden kreeg. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden op de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets de plicht rustte om onderzoek te verrichten naar de herkomst daarvan. De verdachte heeft dit nagelaten. Dat de verdachte naar eigen zeggen nog slechts een proefrit maakte, doet er in dit verband niet toe, omdat het er in het kader van (schuld)heling om gaat dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen dan wel verwerven van het goed – hetgeen ook bij een proefrit al het geval is – zich er al van moet vergewissen dat het goed niet van misdrijf afkomstig is. Derhalve is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de snorfiets een door misdrijf verkregen goed betrof. De in zaak A ten laste gelegde schuldheling wordt daarom bewezen verklaard.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 juli 2022 te Beverwijk een snorfiets (merk Tomos met kenteken [kenteken]), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen in zaak A meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B (parketnummer 15-147938-22) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer 15-191747-22) tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A (parketnummer 15-191747-22) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Noord-Holland van 31 juli 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 augustus 2021, parketnummer 15-110453-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. D. Radder en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2024.
mr. C.J. van der Wilt en mr. M.K. Durdu-Agema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.