Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-02-14
ECLI:NL:GHAMS:2024:335
Strafrecht
Hoger beroep
2,111 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000763-22
datum uitspraak: 14 februari 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 9 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-329293-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 december 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, een blik bier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de strafoplegging tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Ter terechtzitting gevoerd verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het verweer gevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), nu de verdachte ten tijde van zijn staande houding op Schiphol is gefouilleerd conform de Wet Wapens en Munitie, terwijl de verdenking winkeldiefstal betrof.
Het hof overweegt als volgt.
Het door de verdediging gevoerde verweer voldoet niet aan de in de jurisprudentie geformuleerde vereisten die daaraan mogen worden gesteld. Geen aandacht is immers besteed aan de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren. Reeds om die reden kan aan het verweer worden voorbijgegaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 december 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een blik bier, dat aan de [winkel] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee dagen, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft verzocht om, indien het gevoerde verweer niet slaagt, de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest – te weten voor de duur van twee dagen – op te leggen, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal van een blikje bier in de [winkel] te Schiphol. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke en vaak gepleegde feiten die naast schade veel overlast veroorzaken.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 januari 2024 is hij eerder veelvuldig onherroepelijk veroordeeld wegens vermogensdelicten. Wegens het plegen van deze delicten is aan de verdachte in het verleden al meerdere malen een ISD-maatregel opgelegd. Op dit moment zit de verdachte dan ook gedetineerd op grond van een aan hem opgelegde ISD-maatregel in een andere strafzaak, welke detentie binnen enkele maanden zal eindigen.
De verdachte heeft van de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week reeds twee dagen in voorarrest gezeten. In het voordeel van de verdachte zal het hof rekening houden met de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is de waarde van het gestolen goed, te weten één blikje bier, gering.
Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof het, gelet op het voorgaande, niet opportuun dat de verdachte aansluitend op het volledig uitzitten van de aan hem in de andere strafzaak opgelegde ISD-maatregel voor de duur van vijf dagen terug zal moeten in detentie, om de gevangenisstraf die hem in de onderhavige zaak door de politierechter is opgelegd eveneens volledig uit te zitten. Naar het oordeel van het hof kan in deze zaak dan ook worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van de verdachte.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2024.
Mrs. M.J.A. Duker en D. Greven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.