Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-10-29
ECLI:NL:GHAMS:2024:2928
Civiel recht
Hoger beroep
1,271 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.333.358/01 GDW
zaaknummer eerdere beslissing : 200.321.171/01 GDW
Dictum
inzake
[appellant]
,
gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.S. Dallinga, advocaat te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats 2] ,
klager,
gemachtigde: mr. C.A.F. Visser, advocaat te Wormerveer.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klager genoemd.
1De zaak in het kort
Het hof heeft bij beslissing van 6 juni 2023 de klacht van klager deels gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:1322). De gerechtsdeurwaarder vraagt het hof om een herziening van deze beslissing. Het hof wijst dit verzoek af.
2Het verdere verloop van het geding
2.1.
Het hof heeft in deze zaak op 3 september 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2341) een (tweede) tussenbeslissing gegeven. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar die beslissing verwezen.
2.2.
De zaak is vervolgens opnieuw behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 oktober 2024. De gerechtsdeurwaarder en de gemachtigde van klager zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
3De verdere beoordeling
3.1.
Voor de weergave van de feiten, de standpunten van partijen en de vereisten waaraan een succesvol herzieningsverzoek moet voldoen, verwijst het hof naar hetgeen het in de tussenbeslissing van 21 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1330) heeft overwogen.
3.2.
In dezelfde tussenbeslissing is onder rov. 4.2. beslist dat wat de gerechtsdeurwaarder in zijn verzoek om herziening naar voren heeft gebracht, ten dele een herhaling is van wat hij in zijn hoger beroep ook al naar voren had gebracht en in zoverre dus geen grond biedt voor een herziening.
3.3.
In zijn herzieningsverzoek heeft de gerechtsdeurwaarder verder nog aangevoerd dat hem in juli 2023 is gebleken dat klager en AmstelBudget twee verweven entiteiten zijn. Met betrekking tot dit argument heeft het hof in de beslissing van 21 mei 2024 overwogen dat zijn oordeel over de gegrondheid van de klacht mogelijk anders zou zijn uitgevallen als deze stelling van de gerechtsdeurwaarder juist zou zijn en het hof daarvan destijds zou hebben geweten.
3.4.
In de tussenbeslissing van 3 september 2024 heeft het hof de behandeling van het hoger beroep van de gerechtsdeurwaarder tegen de beslissing van de kamer van 9 december 2022 heropend, omdat klager in zijn verweerschrift, ter zitting van 25 april 2024 en in zijn nadien gedane schriftelijke uitlatingen niet adequaat inhoudelijk had gereageerd op de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat klager en AmstelBudget verweven zijn.
3.5.
Uit de door de gemachtigde van klager ter zitting van 7 oktober 2024 gegeven toelichting is het hof inmiddels – met enige moeite – duidelijk geworden dat de incasso van de openstaande facturen van klager al in 2018 door AmstelBudget is overgenomen en dat dat de reden is dat ook het rekeningnummer van AmstelBudget op de door de gerechtsdeurwaarder te incasseren facturen was vermeld. In deze tuchtprocedure zijn facturen overgelegd van april, juli en augustus 2018 van klager, waarop tweemaal het rekeningnummer van klager en eenmaal het rekeningnummer van AmstelBudget staat vermeld. De desbetreffende debiteur heeft daarop twee deelbetalingen gedaan, die beide op de rekening van AmstelBudget zijn bijgeschreven. Deze stukken heeft AmstelBudget bij het verlenen van de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder ook aan hem doen toekomen. Dat klager en AmstelBudget een en dezelfde persoon zouden zijn, kan hieruit echter niet worden afgeleid. Nog steeds moet worden aangenomen dat AmstelBudget als schuldhulpverlenende instantie is opgetreden namens klager.
3.6.
Als het hof bij het geven van de beslissing van 6 juni 2023 ervan op de hoogte zou zijn geweest dat klager het rekeningnummer van AmstelBudget gebruikte om zijn facturen te laten voldoen, had dit niet tot een ander oordeel geleid over de drie gegrond verklaarde klachtonderdelen, ook niet in samenhang met hetgeen de gerechtsdeurwaarder voor het overige heeft aangevoerd. Het verzoek tot herziening moet daarom worden afgewezen.
Dictum
Het hof:
- wijst het herzieningsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024 door de rolraadsheer.