Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-10-01
ECLI:NL:GHAMS:2024:2841
Strafrecht
Hoger beroep
3,864 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000571-23
datum uitspraak: 1 oktober 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-138796-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis integraal vrijgesproken.
Door de officier van justitie is blijkens de akte rechtsmiddel van 21 februari 2023 onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Blijkens de appelschriftuur van 7 maart 2023 richt het hoger beroep van het openbaar ministerie zich specifiek op de vrijspraak van feit 2.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat de grieven niet zijn gericht tegen de ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 gegeven vrijspraken en heeft zij gevorderd dat het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk verklaard wordt in het hoger beroep. Bij die stand van zaken en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van deze feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, zal het hof de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep ten aanzien van het onder feit 1, 3 en 4 tenlastegelegde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
2.hij of op omstreeks 3 juni 2022 te Amstelveen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 2011, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - met de (platte) hand de billen van die [slachtoffer] aan te raken en/of over de billen van die [slachtoffer] te strijken en/of te aaien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan de rechtbank, zodat het hof, zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en dit daarom zal bevestigen met dien verstande dat het hof de motivering van de vrijspraak vervangt door onderstaande motivering.
Vrijspraak
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige door met zijn hand (over haar kleding) de bil van een destijds elfjarig meisje aan te raken. Er is sprake van een aangifte en een verklaring van een vriendin. Bovendien zijn er camerabeelden. Dat de aanraking in de zin van feitelijk fysiek contact niet te zien is op de camerabeelden, betekent niet dat de aanraking er niet is geweest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de beelden uitsluiten dat de verdachte de billen van aangeefster heeft aangeraakt. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat objectieve verklaringen ontbreken in het dossier.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Uit de stukken blijkt dat het elfjarige meisje zich op 3 juni 2022 in het winkelcentrum Stadshart in Amstelveen bevond, samen met een groepje vriendinnen. Zij stonden bij de roltrap en spraken daar een beveiliger aan, omdat zij de verdachte in het winkelcentrum zagen en bang voor hem waren, omdat hij enkele van hen eerder zou hebben lastiggevallen.
Het meisje heeft verklaard dat, terwijl zij met haar vriendinnen in een kluitje bij de roltrap stond, de verdachte hun kant op kwam lopen. Zij wist op dat moment wat er zou gaan gebeuren en probeerde weg te lopen, maar de verdachte liep recht op haar af en streek, terwijl hij langs haar liep, met één hand langs haar billen.
De verdachte ontkent dat hij een meisje heeft aangeraakt. Hij heeft opgezocht dat de leeftijdsgrens voor seks zestien jaar is en weet zeker dat hij nooit iemand zou aanraken die jonger is. Hij zegt dat het niet mogelijk is dat op camerabeelden van het winkelcentrum is te zien dat hij een meisje aanraakt.
De verklaringen van de verdachte en het meisje staan tegenover elkaar. Er zijn camerabeelden van het moment dat de verdachte achter het meisje langs naar de roltrap loopt. Deze beelden zijn van goede kwaliteit. Het hof volgt niet het standpunt van de raadsman dat de beelden uitsluiten dat de verdachte de billen van het meisje heeft aangeraakt. Op de beelden is echter ook niet te zien dat de verdachte het meisje daadwerkelijk aanraakt en die beelden laten bovendien, in substantiële mate, ruimte voor de interpretatie dat de opengevouwen hand van de verdachte weliswaar in zijn loop beweegt achter het meisje langs, maar dat daarbij geen sprake is van ontuchtig contact. De camerabeelden zijn daardoor niet van doorslaggevende aard om het scenario van de verdachte of het scenario van het meisje aan te nemen of uit te sluiten. De overige bewijsmiddelen zijn evenmin van doorslaggevende aard.
Dit brengt met zich dat er bij het hof te veel twijfel bestaat om tot een bewezenverklaring te komen.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 1, 3 en 4 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. D.A.C. Koster en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 oktober 2024.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000571-23
datum uitspraak: 1 oktober 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-138796-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis integraal vrijgesproken.
Door de officier van justitie is blijkens de akte rechtsmiddel van 21 februari 2023 onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Blijkens de appelschriftuur van 7 maart 2023 richt het hoger beroep van het openbaar ministerie zich specifiek op de vrijspraak van feit 2.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat de grieven niet zijn gericht tegen de ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 gegeven vrijspraken en heeft zij gevorderd dat het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk verklaard wordt in het hoger beroep. Bij die stand van zaken en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van deze feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, zal het hof de officier van justitie overeenkomstig het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep ten aanzien van het onder feit 1, 3 en 4 tenlastegelegde.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
2.hij of op omstreeks 3 juni 2022 te Amstelveen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 2011, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - met de (platte) hand de billen van die [slachtoffer] aan te raken en/of over de billen van die [slachtoffer] te strijken en/of te aaien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan de rechtbank, zodat het hof, zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en dit daarom zal bevestigen met dien verstande dat het hof de motivering van de vrijspraak vervangt door onderstaande motivering.
Vrijspraak
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige door met zijn hand (over haar kleding) de bil van een destijds elfjarig meisje aan te raken. Er is sprake van een aangifte en een verklaring van een vriendin. Bovendien zijn er camerabeelden. Dat de aanraking in de zin van feitelijk fysiek contact niet te zien is op de camerabeelden, betekent niet dat de aanraking er niet is geweest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de beelden uitsluiten dat de verdachte de billen van aangeefster heeft aangeraakt. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat objectieve verklaringen ontbreken in het dossier.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Uit de stukken blijkt dat het elfjarige meisje zich op 3 juni 2022 in het winkelcentrum Stadshart in Amstelveen bevond, samen met een groepje vriendinnen. Zij stonden bij de roltrap en spraken daar een beveiliger aan, omdat zij de verdachte in het winkelcentrum zagen en bang voor hem waren, omdat hij enkele van hen eerder zou hebben lastiggevallen.
Het meisje heeft verklaard dat, terwijl zij met haar vriendinnen in een kluitje bij de roltrap stond, de verdachte hun kant op kwam lopen. Zij wist op dat moment wat er zou gaan gebeuren en probeerde weg te lopen, maar de verdachte liep recht op haar af en streek, terwijl hij langs haar liep, met één hand langs haar billen.
De verdachte ontkent dat hij een meisje heeft aangeraakt. Hij heeft opgezocht dat de leeftijdsgrens voor seks zestien jaar is en weet zeker dat hij nooit iemand zou aanraken die jonger is. Hij zegt dat het niet mogelijk is dat op camerabeelden van het winkelcentrum is te zien dat hij een meisje aanraakt.
De verklaringen van de verdachte en het meisje staan tegenover elkaar. Er zijn camerabeelden van het moment dat de verdachte achter het meisje langs naar de roltrap loopt. Deze beelden zijn van goede kwaliteit. Het hof volgt niet het standpunt van de raadsman dat de beelden uitsluiten dat de verdachte de billen van het meisje heeft aangeraakt. Op de beelden is echter ook niet te zien dat de verdachte het meisje daadwerkelijk aanraakt en die beelden laten bovendien, in substantiële mate, ruimte voor de interpretatie dat de opengevouwen hand van de verdachte weliswaar in zijn loop beweegt achter het meisje langs, maar dat daarbij geen sprake is van ontuchtig contact. De camerabeelden zijn daardoor niet van doorslaggevende aard om het scenario van de verdachte of het scenario van het meisje aan te nemen of uit te sluiten. De overige bewijsmiddelen zijn evenmin van doorslaggevende aard.
Dit brengt met zich dat er bij het hof te veel twijfel bestaat om tot een bewezenverklaring te komen.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 1, 3 en 4 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. D.A.C. Koster en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 oktober 2024.