Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-01-09
ECLI:NL:GHAMS:2024:28
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,200 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.329.237/01
zaaknummer rechtbank: C/13/724219 / FA RK 22-6556
beschikking van de meervoudige kamer van 9 januari 2024 in de zaak van
[de moeder]
,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij te Heemstede,
en
[de vader] ,
thans wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
De minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats C] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure had een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van de procedure bij de rechtbank
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 19 april 2023 uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
De moeder is op 5 juli 2023 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 april 2023.
2.2
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van mr. V.W.J.M. Kuit van 28 juli 2023 met de mededeling dat hij zich onttrekt als advocaat van de vader,
- een e-mail van de vader van 3 november 2023,
- een e-mail van de vader van 11 november 2023 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 november 2023 met bijlage.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader,
- de raad, vertegenwoordigd door W. Daalderop.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
2.4
Het hof heeft na de mondelinge behandeling de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 december 2023 met bijlage, en
- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 11 december 2023.
Feiten
3.1
De moeder en de vader hadden tot begin 2021 een affectieve relatie. Zij hebben nooit samengewoond. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft op 12 mei 2021 bepaald dat de vader € 470,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) moet betalen aan de moeder. Het door partijen overeengekomen ouderschapsplan, ondertekend door hen op respectievelijk 13 en 20 april 2021, maakte deel uit van die beschikking. Dat ouderschapsplan houdt een zorgregeling in waarbij [minderjarige] eens per twee weken van zaterdagochtend 09:00 uur tot en met zondagavond 19:00 uur bij de vader verblijft en [minderjarige] , gelet op zijn leeftijd, voorlopig alle nachten bij de moeder slaapt.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van 12 mei 2021:
- bepaald dat [minderjarige] , na een opbouwregeling, vanaf juni 2023 ieder oneven weekend bij de vader verblijft van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:30 uur, waarbij partijen [minderjarige] steeds over en weer bij elkaar ophalen:
- bepaald ten aanzien van de zomervakantie 2023 dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij de moeder zal verblijven en één aaneengesloten week bij de vader; partijen zullen de vakanties voor het overige in onderling overleg afspreken en verdelen bij Ouderschap Blijft;
- de kinderalimentatie in de periode van 1 december 2022 tot 1 april 2023 bepaald op € 65,- per maand, en
- de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2023 bepaald op € 59,- per maand.
4.2
De moeder verzocht in haar verzoekschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking:
- te bepalen dat de vader aan de moeder kinderalimentatie moet voldoen van € 200,- per maand, ingaande op de datum van indiening van het verzoekschrift,
- te bepalen dat [minderjarige] om de week op zaterdag en zondag bij zijn vader verblijft van 11:00 tot 18:30 uur, zonder daar te overnachten, waarbij partijen [minderjarige] steeds over en weer bij elkaar ophalen.
4.3
De moeder heeft haar verzoeken na de mondelinge behandeling in het bericht van 6 december 2023 gewijzigd. Daarna heeft zij verduidelijkt in het e-mailbericht van 11 december 2023, dat de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin bepaalde kinderalimentatie tot 1 december 2023 in stand moet blijven. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling en de kinderalimentatie vanaf 1 december 2023 betreft:
- te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2023 op nihil wordt gesteld;
- te bepalen dat er geen zorgregeling meer geldt tussen vader en [minderjarige] ;
- het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige]
voortaan alleen toekomt aan de moeder.
4.3
De vader heeft in een door hem op 6 december 2023 getekende en door een advocaat geautoriseerde referteverklaring laten weten geen verweer te voeren tegen de gewijzigde verzoeken en er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof beslist op de gewijzigde verzoeken.
Procesverloop
Zorgregeling
5.2
Uit artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (een zorgregeling) omvatten.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader meermaals verteld dat hij zich niet meer in staat voelt om regelmatig contact met [minderjarige] te hebben. De afstemming tussen de ouders die daarvoor nodig is, veroorzaakt bij de vader zoveel stress, dat hij dat niet meer ziet zitten. Omdat de vader geen regelmatig contact meer wil, is het niet in [minderjarige] belang om alsnog een zorgregeling te bepalen: dat zou voor voortdurende teleurstellingen zorgen. Het hof zal daarom bepalen dat tussen [minderjarige] en de vader geen zorgregeling geldt.
Kinderalimentatie
5.4
De moeder heeft verzocht de kinderalimentatie per 1 december 2023 op nihil te stellen en de bestreden beschikking tot dat tijdstip in stand te laten. Het hof begrijpt dat de moeder en de vader het erover eens zijn dat de vader vanaf die datum geen draagkracht heeft voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof zal dit verzoek toewijzen.
Dictum
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek met betrekking tot de wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag;
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat tussen [minderjarige] en de vader geen zorgregeling geldt;
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 december 2023 op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 9 januari 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.329.237/01
zaaknummer rechtbank: C/13/724219 / FA RK 22-6556
beschikking van de meervoudige kamer van 9 januari 2024 in de zaak van
[de moeder]
,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.A.S. Matheij te Heemstede,
en
[de vader] ,
thans wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
De minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats C] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure had een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van de procedure bij de rechtbank
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 19 april 2023 uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
De moeder is op 5 juli 2023 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 april 2023.
2.2
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van mr. V.W.J.M. Kuit van 28 juli 2023 met de mededeling dat hij zich onttrekt als advocaat van de vader,
- een e-mail van de vader van 3 november 2023,
- een e-mail van de vader van 11 november 2023 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 november 2023 met bijlage.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader,
- de raad, vertegenwoordigd door W. Daalderop.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
2.4
Het hof heeft na de mondelinge behandeling de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 december 2023 met bijlage, en
- een e-mailbericht van de zijde van de moeder van 11 december 2023.
Feiten
3.1
De moeder en de vader hadden tot begin 2021 een affectieve relatie. Zij hebben nooit samengewoond. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2018. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft op 12 mei 2021 bepaald dat de vader € 470,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) moet betalen aan de moeder. Het door partijen overeengekomen ouderschapsplan, ondertekend door hen op respectievelijk 13 en 20 april 2021, maakte deel uit van die beschikking. Dat ouderschapsplan houdt een zorgregeling in waarbij [minderjarige] eens per twee weken van zaterdagochtend 09:00 uur tot en met zondagavond 19:00 uur bij de vader verblijft en [minderjarige] , gelet op zijn leeftijd, voorlopig alle nachten bij de moeder slaapt.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
Bij de bestreden beschikking is met wijziging van de beschikking van 12 mei 2021:
- bepaald dat [minderjarige] , na een opbouwregeling, vanaf juni 2023 ieder oneven weekend bij de vader verblijft van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:30 uur, waarbij partijen [minderjarige] steeds over en weer bij elkaar ophalen:
- bepaald ten aanzien van de zomervakantie 2023 dat [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij de moeder zal verblijven en één aaneengesloten week bij de vader; partijen zullen de vakanties voor het overige in onderling overleg afspreken en verdelen bij Ouderschap Blijft;
- de kinderalimentatie in de periode van 1 december 2022 tot 1 april 2023 bepaald op € 65,- per maand, en
- de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2023 bepaald op € 59,- per maand.
4.2
De moeder verzocht in haar verzoekschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking:
- te bepalen dat de vader aan de moeder kinderalimentatie moet voldoen van € 200,- per maand, ingaande op de datum van indiening van het verzoekschrift,
- te bepalen dat [minderjarige] om de week op zaterdag en zondag bij zijn vader verblijft van 11:00 tot 18:30 uur, zonder daar te overnachten, waarbij partijen [minderjarige] steeds over en weer bij elkaar ophalen.
4.3
De moeder heeft haar verzoeken na de mondelinge behandeling in het bericht van 6 december 2023 gewijzigd. Daarna heeft zij verduidelijkt in het e-mailbericht van 11 december 2023, dat de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin bepaalde kinderalimentatie tot 1 december 2023 in stand moet blijven. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het de zorgregeling en de kinderalimentatie vanaf 1 december 2023 betreft:
- te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2023 op nihil wordt gesteld;
- te bepalen dat er geen zorgregeling meer geldt tussen vader en [minderjarige] ;
- het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige]
voortaan alleen toekomt aan de moeder.
4.3
De vader heeft in een door hem op 6 december 2023 getekende en door een advocaat geautoriseerde referteverklaring laten weten geen verweer te voeren tegen de gewijzigde verzoeken en er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof beslist op de gewijzigde verzoeken.
Procesverloop
Zorgregeling
5.2
Uit artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (een zorgregeling) omvatten.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader meermaals verteld dat hij zich niet meer in staat voelt om regelmatig contact met [minderjarige] te hebben. De afstemming tussen de ouders die daarvoor nodig is, veroorzaakt bij de vader zoveel stress, dat hij dat niet meer ziet zitten. Omdat de vader geen regelmatig contact meer wil, is het niet in [minderjarige] belang om alsnog een zorgregeling te bepalen: dat zou voor voortdurende teleurstellingen zorgen. Het hof zal daarom bepalen dat tussen [minderjarige] en de vader geen zorgregeling geldt.
Kinderalimentatie
5.4
De moeder heeft verzocht de kinderalimentatie per 1 december 2023 op nihil te stellen en de bestreden beschikking tot dat tijdstip in stand te laten. Het hof begrijpt dat de moeder en de vader het erover eens zijn dat de vader vanaf die datum geen draagkracht heeft voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof zal dit verzoek toewijzen.
Dictum
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek met betrekking tot de wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag;
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat tussen [minderjarige] en de vader geen zorgregeling geldt;
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 december 2023 op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 9 januari 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.