Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-09-10
ECLI:NL:GHAMS:2024:2569
Civiel recht
Hoger beroep
4,840 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.307.660/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 september 2024
inzake
[appellant] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. J.I.T. Sopacua te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Dijke te Rotterdam.
1Het verdere verloop van het geding na verwijzing door de Hoge Raad
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 16 mei 2023 een tussenarrest gewezen (hierna: tussenarrest). Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.
Bij het tussenarrest heeft het hof de zaak verwezen naar de rol voor aktewisseling.
[appellant] heeft vervolgens op 25 juli 2023 een akte met producties genomen, waarna [geïntimeerde] op 22 augustus 2023 een antwoordakte heeft ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2Verdere beoordeling
2.1.
In het tussenarrest heeft het hof onder 3.5 overwogen dat bij de beoordeling van de loonvordering van [geïntimeerde] over de periode 2011 tot en met 2016 dient te worden uitgegaan van de functie-indeling loongroep I plus 5% en een 38-urige werkweek. Tevens heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde] over genoemde periode recht had op een reiskostenvergoeding zodat de ter zake daarvan aan hem reeds betaalde bedragen niet in mindering mogen strekken op het nog hem toekomende bedrag aan loon. [appellant] heeft in haar nadere akte van 12 mei 2020 - ingediend in de procedure ten overstaan van het hof Den Haag - gesteld dat [geïntimeerde] nog aanspraak maakt op een bedrag van € 11.125,01 bruto uitgaande van loongroep I plus 5% over de hiervoor bedoelde periode uitgaande van een 38-urige werkweek. Zij heeft hiervoor verwezen naar herberekeningen die in haar opdracht zijn gemaakt door H&P. Gelet evenwel erop dat die herberekeningen uitkomen op een bedrag van € 11.125,02 netto en niet duidelijk is hoe dit bedrag is opgebouwd - het excelbestand waarnaar [appellant] verwijst is niet bij haar akte van 12 mei 2020 gevoegd - heeft het hof, mede in aanmerking genomen het standpunt van [geïntimeerde] - vervat in zijn nadere akte van 9 juni 2020 - dat hij nog aanspraak maakt op een bedrag van € 15.711,10 netto, bepaald dat [appellant] nadere inlichtingen verstrekt. [appellant] is verzocht bij akte een berekening over te leggen van het loon waar [geïntimeerde] conform de onder 3.5 van het tussenarrest vermelde uitgangspunten, te weten functie-indeling loongroep I plus 5%, 38-urige werkweek en recht op reiskostenvergoeding, aanspraak op maakt met dien verstande dat het bedrag niet hoger kan zijn dan (het bruto equivalent van) het bedrag van € 15.711,10 netto omdat [geïntimeerde] - na vermindering van eis - zijn vordering tot laatstgenoemd bedrag heeft beperkt.
2.2
In haar akte na tussenarrest van 25 juli 2023 verwijst [appellant] naar haar berekening die was ingediend bij haar hiervoor reeds genoemde akte van 12 mei 2020. Ter toelichting stelt [appellant] het volgende. In de linker kolom staat het bedrag aan loon waarop [geïntimeerde] recht heeft als wordt uitgegaan van loongroep I plus 5%. In de kolom daarnaast staat het bedrag dat aan [geïntimeerde] is uitbetaald aan loon inclusief reiskosten. In de kolom daarnaast staat het verschil tussen de bedragen in de eerste twee kolommen. Een en ander leidt volgens [appellant] ertoe dat zij aan [geïntimeerde] is verschuldigd € 6.064,93 aan netto na te betalen loon en € 5.060,09 aan reiskosten, tezamen een bedrag van € 11.125,02 netto. In de memorie van grieven is abusievelijk vermeld dat het te betalen bedrag
€ 11.125,02- bruto is, aldus [appellant] .
2.3
[geïntimeerde] stelt in zijn antwoordakte dat de overgelegde berekening van [appellant] niet voldoet aan hetgeen het hof in het tussenarrest aan uitgangspunten heeft genoemd. [appellant] heeft in haar berekeningen het herberekende salaris (loongroep I plus 5%) vergeleken met het netto ontvangen loon inclusief reiskosten terwijl het hof in het tussenarrest uitdrukkelijk heeft bepaald dat op het nog verschuldigde loon niet in mindering mag strekken het reeds aan [geïntimeerde] betaalde bedrag ter zake van reiskostenvergoeding over de periode 2011 tot en met 2016. [geïntimeerde] verwijst nogmaals naar zijn bij akte van 9 juni 2020 overgelegde herberekening waarin het herberekende loon (loongroep I plus 5%) is vergeleken met het netto ontvangen loon exclusief de betaalde reiskostenvergoeding, welke berekening uitkomt op een nog aan hem verschuldigde bedrag van € 15.711,10 netto exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente. Bij deze akte heeft [geïntimeerde] ook de loonstroken overgelegd zodat controleerbaar is welk bedrag aan reiskostenvergoeding door hem in mindering is gebracht op het ontvangen netto loon.
2.4
Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat de door [appellant] bij akte na tussenarrest overgelegde herberekening niet voldoet aan het door het hof in het tussenarrest genoemde uitgangspunt dat de reeds betaalde reiskostenvergoeding buiten beschouwing dient te blijven bij de herberekening van het loon waarop [geïntimeerde] - uitgaande van loongroep I plus 5% en een 38-urige werkweek en exclusief reiskostenvergoeding - aanspraak kan maken. Blijkens de overgelegde herberekening heeft [appellant] het door haar herberekende loon op basis van loongroep I plus 5% weliswaar vergeleken met het bedrag dat [geïntimeerde] ter zake van loon reeds had ontvangen, maar in laatstbedoeld bedrag was tevens een bedrag aan reiskostenvergoeding opgenomen, welk bedrag bij vergelijking van het loon dat [geïntimeerde] zou moeten ontvangen met het loon dat hij reeds heeft ontvangen buiten beschouwing zou moeten blijven. [geïntimeerde] heeft daarentegen het herberekende bedrag aan loon op basis van functiegroep I plus 5% en een 38-urige werkweek wel vergeleken met het ontvangen bedrag aan loon exclusief reiskostenvergoeding, welke berekening door hem reeds bij akte van 9 juni 2020 is overgelegd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de loonvordering van [geïntimeerde] over de periode 2011 tot en met 2016 de berekening van [geïntimeerde] volgen, ook omdat uit die berekening en de onderliggende loonstroken inzichtelijk wordt welke bedragen aan reiskosten en loon zijn voldaan. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] nog aanspraak heeft op een bedrag van € 15.711,10 netto ter zake van achterstallig loon. [appellant] zal worden veroordeeld het bruto equivalent van dit bedrag aan [geïntimeerde] te betalen. Tevens zullen de overige reeds door het hof Den Haag bij arrest van 24 november 2020 toegewezen vorderingen in onderstaand dictum worden opgenomen omdat [appellant] tegen die toewijzing niet is opgekomen in cassatie, een en ander overeenkomstig hetgeen het hof reeds onder 3.4 van het tussenarrest heeft overwogen. Dit betekent onder meer dat de hiervoor genoemde toewijsbaar geachte vordering ter zake van achterstallig loon nog zal dienen te worden vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017, een en ander als hierna te melden.
2.5
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal worden toegewezen, een en ander als hierna te melden. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Gelet op deze uitkomst zullen de door [appellant] gemaakte kosten ter zake van de procedure in cassatie voor eigen rekening blijven.
Dictum
Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2019, en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling van het bruto-equivalent van € 15.711,10 netto ter zake van achterstallig loon en tot betaling van € 2.198,90 bruto ter zake van eindejaarsuitkering over 2011 tot en met 2016, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, en alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017;
veroordeelt [appellant] tot het verhogen van de aanspraak van [geïntimeerde] op vakantie met 10,18 uren;
stelt het bruto maandloon van [geïntimeerde] met ingang van 1 juli 2016 vast op € 2.126,75 bruto exclusief vakantieslag en toeslagen;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 175,31 aan verschotten en € 2.970,- voor salaris, en in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 428,54 aan verschotten en € 5.323,50 voor salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Boot en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 september 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.307.660/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 september 2024
inzake
[appellant] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. J.I.T. Sopacua te Heerlen,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Dijke te Rotterdam.
1Het verdere verloop van het geding na verwijzing door de Hoge Raad
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 16 mei 2023 een tussenarrest gewezen (hierna: tussenarrest). Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.
Bij het tussenarrest heeft het hof de zaak verwezen naar de rol voor aktewisseling.
[appellant] heeft vervolgens op 25 juli 2023 een akte met producties genomen, waarna [geïntimeerde] op 22 augustus 2023 een antwoordakte heeft ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2Verdere beoordeling
2.1.
In het tussenarrest heeft het hof onder 3.5 overwogen dat bij de beoordeling van de loonvordering van [geïntimeerde] over de periode 2011 tot en met 2016 dient te worden uitgegaan van de functie-indeling loongroep I plus 5% en een 38-urige werkweek. Tevens heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde] over genoemde periode recht had op een reiskostenvergoeding zodat de ter zake daarvan aan hem reeds betaalde bedragen niet in mindering mogen strekken op het nog hem toekomende bedrag aan loon. [appellant] heeft in haar nadere akte van 12 mei 2020 - ingediend in de procedure ten overstaan van het hof Den Haag - gesteld dat [geïntimeerde] nog aanspraak maakt op een bedrag van € 11.125,01 bruto uitgaande van loongroep I plus 5% over de hiervoor bedoelde periode uitgaande van een 38-urige werkweek. Zij heeft hiervoor verwezen naar herberekeningen die in haar opdracht zijn gemaakt door H&P. Gelet evenwel erop dat die herberekeningen uitkomen op een bedrag van € 11.125,02 netto en niet duidelijk is hoe dit bedrag is opgebouwd - het excelbestand waarnaar [appellant] verwijst is niet bij haar akte van 12 mei 2020 gevoegd - heeft het hof, mede in aanmerking genomen het standpunt van [geïntimeerde] - vervat in zijn nadere akte van 9 juni 2020 - dat hij nog aanspraak maakt op een bedrag van € 15.711,10 netto, bepaald dat [appellant] nadere inlichtingen verstrekt. [appellant] is verzocht bij akte een berekening over te leggen van het loon waar [geïntimeerde] conform de onder 3.5 van het tussenarrest vermelde uitgangspunten, te weten functie-indeling loongroep I plus 5%, 38-urige werkweek en recht op reiskostenvergoeding, aanspraak op maakt met dien verstande dat het bedrag niet hoger kan zijn dan (het bruto equivalent van) het bedrag van € 15.711,10 netto omdat [geïntimeerde] - na vermindering van eis - zijn vordering tot laatstgenoemd bedrag heeft beperkt.
2.2
In haar akte na tussenarrest van 25 juli 2023 verwijst [appellant] naar haar berekening die was ingediend bij haar hiervoor reeds genoemde akte van 12 mei 2020. Ter toelichting stelt [appellant] het volgende. In de linker kolom staat het bedrag aan loon waarop [geïntimeerde] recht heeft als wordt uitgegaan van loongroep I plus 5%. In de kolom daarnaast staat het bedrag dat aan [geïntimeerde] is uitbetaald aan loon inclusief reiskosten. In de kolom daarnaast staat het verschil tussen de bedragen in de eerste twee kolommen. Een en ander leidt volgens [appellant] ertoe dat zij aan [geïntimeerde] is verschuldigd € 6.064,93 aan netto na te betalen loon en € 5.060,09 aan reiskosten, tezamen een bedrag van € 11.125,02 netto. In de memorie van grieven is abusievelijk vermeld dat het te betalen bedrag
€ 11.125,02- bruto is, aldus [appellant] .
2.3
[geïntimeerde] stelt in zijn antwoordakte dat de overgelegde berekening van [appellant] niet voldoet aan hetgeen het hof in het tussenarrest aan uitgangspunten heeft genoemd. [appellant] heeft in haar berekeningen het herberekende salaris (loongroep I plus 5%) vergeleken met het netto ontvangen loon inclusief reiskosten terwijl het hof in het tussenarrest uitdrukkelijk heeft bepaald dat op het nog verschuldigde loon niet in mindering mag strekken het reeds aan [geïntimeerde] betaalde bedrag ter zake van reiskostenvergoeding over de periode 2011 tot en met 2016. [geïntimeerde] verwijst nogmaals naar zijn bij akte van 9 juni 2020 overgelegde herberekening waarin het herberekende loon (loongroep I plus 5%) is vergeleken met het netto ontvangen loon exclusief de betaalde reiskostenvergoeding, welke berekening uitkomt op een nog aan hem verschuldigde bedrag van € 15.711,10 netto exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente. Bij deze akte heeft [geïntimeerde] ook de loonstroken overgelegd zodat controleerbaar is welk bedrag aan reiskostenvergoeding door hem in mindering is gebracht op het ontvangen netto loon.
2.4
Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat de door [appellant] bij akte na tussenarrest overgelegde herberekening niet voldoet aan het door het hof in het tussenarrest genoemde uitgangspunt dat de reeds betaalde reiskostenvergoeding buiten beschouwing dient te blijven bij de herberekening van het loon waarop [geïntimeerde] - uitgaande van loongroep I plus 5% en een 38-urige werkweek en exclusief reiskostenvergoeding - aanspraak kan maken. Blijkens de overgelegde herberekening heeft [appellant] het door haar herberekende loon op basis van loongroep I plus 5% weliswaar vergeleken met het bedrag dat [geïntimeerde] ter zake van loon reeds had ontvangen, maar in laatstbedoeld bedrag was tevens een bedrag aan reiskostenvergoeding opgenomen, welk bedrag bij vergelijking van het loon dat [geïntimeerde] zou moeten ontvangen met het loon dat hij reeds heeft ontvangen buiten beschouwing zou moeten blijven. [geïntimeerde] heeft daarentegen het herberekende bedrag aan loon op basis van functiegroep I plus 5% en een 38-urige werkweek wel vergeleken met het ontvangen bedrag aan loon exclusief reiskostenvergoeding, welke berekening door hem reeds bij akte van 9 juni 2020 is overgelegd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de loonvordering van [geïntimeerde] over de periode 2011 tot en met 2016 de berekening van [geïntimeerde] volgen, ook omdat uit die berekening en de onderliggende loonstroken inzichtelijk wordt welke bedragen aan reiskosten en loon zijn voldaan. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde] nog aanspraak heeft op een bedrag van € 15.711,10 netto ter zake van achterstallig loon. [appellant] zal worden veroordeeld het bruto equivalent van dit bedrag aan [geïntimeerde] te betalen. Tevens zullen de overige reeds door het hof Den Haag bij arrest van 24 november 2020 toegewezen vorderingen in onderstaand dictum worden opgenomen omdat [appellant] tegen die toewijzing niet is opgekomen in cassatie, een en ander overeenkomstig hetgeen het hof reeds onder 3.4 van het tussenarrest heeft overwogen. Dit betekent onder meer dat de hiervoor genoemde toewijsbaar geachte vordering ter zake van achterstallig loon nog zal dienen te worden vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017, een en ander als hierna te melden.
2.5
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal worden toegewezen, een en ander als hierna te melden. [appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Gelet op deze uitkomst zullen de door [appellant] gemaakte kosten ter zake van de procedure in cassatie voor eigen rekening blijven.
Dictum
Het hof:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2019, en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] tot betaling van het bruto-equivalent van € 15.711,10 netto ter zake van achterstallig loon en tot betaling van € 2.198,90 bruto ter zake van eindejaarsuitkering over 2011 tot en met 2016, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, en alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2017;
veroordeelt [appellant] tot het verhogen van de aanspraak van [geïntimeerde] op vakantie met 10,18 uren;
stelt het bruto maandloon van [geïntimeerde] met ingang van 1 juli 2016 vast op € 2.126,75 bruto exclusief vakantieslag en toeslagen;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 175,31 aan verschotten en € 2.970,- voor salaris, en in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 428,54 aan verschotten en € 5.323,50 voor salaris van de advocaat;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Boot en A.C.M. Kuypers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 september 2024.