Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-08-08
ECLI:NL:GHAMS:2024:2430
Strafrecht
Hoger beroep
5,412 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000282-24
datum uitspraak: 8 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 februari 2024 op het beroep in cassatie tegen het arrest van dit hof van 20 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 23-001030-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].
Procesgang
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte – voor zover hier van belang – voor het onder feit 3 tenlastegelegde witwassen vrijgesproken.
Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld, met dien verstande dat ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde witwassen het hoger beroep enkel gericht is op het witwassen van het geldbedrag en niet op het witwassen van het Rolex-horloge.
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 20 januari 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte ten aanzien van feit 3 – voor zover nog aan de orde – veroordeeld voor eenvoudig witwassen. Daarnaast heeft het gerechtshof de verdachte veroordeeld voor het verkopen, verstrekken en voorhanden hebben van cocaïne en heroïne. Voor deze drie strafbare feiten heeft het gerechtshof aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Het gerechtshof heeft de inbeslaggenomen weegschalen en het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 7.139,05 verbeurd verklaard. Het hof heeft de teruggave gelast aan de verdachte van € 33.334,27 en van 101 Amerikaanse dollars.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2022 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder feit 3 tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam om de zaak in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 6 januari 2022 en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Omvang van de zaak
Gelet op voormelde procesgang is, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het – kortgezegd – (schuld) witwassen van een contant geldbedrag ad € 38.846,64 en de hoogte van de straf.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
3hij op of omstreeks 29 december 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, van een of meer voorwerpen te weten - een contant geldbedrag van (in totaal) 38.846,64,- euro en/of - een Rolex horloge, - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindtplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of - dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, dan wel redelijker wijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vrijspraak van feit 3
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de verdachte voor wat betreft feit 3 wordt veroordeeld tot het witwassen van een bedrag van € 7.139,02.
De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van de verdachte niet volstrekt ongeloofwaardig is en dat het stappenplan niet meebrengt dat de verdachte zijn verklaring aannemelijk moet maken. Het is aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Het hof is van oordeel dat overeenkomstig de eenvoudige kasopstelling moet worden uitgegaan van een legaal beginsaldo van € 17.000,00, omdat de verklaring van de verdachte over de verkoop van zijn café [café] in 2014 en de gokkasten, onvoldoende is onderzocht. Daaruit volgt dat voor een contant geldbedrag van € 7.139,02 een verklaring dient te worden gegeven, die het gerechtvaardigde vermoeden van witwassen kan weerleggen. Daarbij merkt het hof op dat het feit dat van de verdachte een verklaring mag worden verwacht, niet betekent niet dat hij aannemelijk moet maken dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat € 10.000,00 afkomstig is van de zus van de verdachte die in 2021 overleden is. De verdachte heeft op de terechtzitting bij dit hof op 6 januari 2022 verklaard dat hij sinds 2016 jaarlijks € 2.000,00 à € 3.000,00 contant ontving van zijn zus, omdat zij een hartafwijking had waardoor zij geen uitvaartverzekering kon afsluiten. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging een e-mailbericht van de broer van de verdachte overgelegd, waarin staat geschreven:
“[naam] is van jongs af aan hartpatiënt geweest en heeft regelmatig gezondheidsklachten ervaren waarvoor zij behandeld werd. Omdat zij hartpatiënt was, werd haar geweigerd om een uitvaartverzekering af te sluiten. Hierdoor heeft zij in de loop der jaren geld opzij gehouden voor een eventuele uitvaart. Hier heeft zij regelmatig met haar familieleden over gesproken en aangegeven dat zij een traditionele uitvaart wenste, en waar zij het geld hiervoor bewaarde. (…) Op het moment dat [naam] voor haar laatste behandeling werd opgenomen, hebben zij en [verdachte] besproken dat hij zowel de financiële, praktische en religieuze afhandeling van de uitvaart op zich zou nemen (…). De familie was op de hoogte van en stemde in met de mondelinge afspraken tussen broer en zus, inclusief de kostendekking indien de operatie niet goed zou verlopen. De specifieke bedragen waren echter alleen hen beide bekend.”
Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaring van de verdachte en het e-mailbericht van zijn broer dat de familie van de verdachte bekend was met hetgeen tussen de verdachte en zijn zus was afgesproken over het geld voor de uitvaart. Zo blijkt uit de zinsnede: “Hierdoor heeft zij in de loop der jaren geld opzij gehouden voor een eventuele uitvaart. Hier heeft zij regelmatig met haar familieleden over gesproken (…) waar zij het geld hiervoor bewaarde” dat familieleden op de hoogte zijn geweest van de plek waar het geld voor de uitvaart bewaard werd.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 3 met wijziging van de gronden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
17. 1 STK Weegschaal (omschrijving: G6012330, Kansas)
18. 1 STK Weegschaal (omschrijving: G6012331, zwart)
19. 3 STKS Weegschaal (omschrijving: G6012352, zilverkleurig)
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. geld 1.550 euro (omschrijving: 6012298)
2. geld 53,65 euro (omschrijving: 6012299)
3. geld 4.110 euro (omschrijving: 6012382)
4. geld 3.250 euro (omschrijving: 6012388)
5. geld 9.055 euro (omschrijving: 6012401)
6. geld 100 euro (omschrijving: 6012406)
8. geld 1 1.705 euro (omschrijving: 6012410)
9. geld 8.410 euro (omschrijving: 6012442)
11. geld 1.641,89 (omschrijving: muntgeld G-6014179)
12. geld 674,75 euro (omschrijving: munten G-6014180)
13. geld 82,05 euro (omschrijving: 6012482; 101 USD tegenwaarde 82,05)
14. geld 51,03 euro (omschrijving: G6012306)
15. geld 345 SRD; incourant geld (omschrijving: G6012486)
16. geld 20 SEK; incourant geld (omschrijving: G6012488)
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. I.A. Groenendijk, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000282-24
datum uitspraak: 8 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 februari 2024 op het beroep in cassatie tegen het arrest van dit hof van 20 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 23-001030-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].
Procesgang
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte – voor zover hier van belang – voor het onder feit 3 tenlastegelegde witwassen vrijgesproken.
Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld, met dien verstande dat ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde witwassen het hoger beroep enkel gericht is op het witwassen van het geldbedrag en niet op het witwassen van het Rolex-horloge.
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 20 januari 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte ten aanzien van feit 3 – voor zover nog aan de orde – veroordeeld voor eenvoudig witwassen. Daarnaast heeft het gerechtshof de verdachte veroordeeld voor het verkopen, verstrekken en voorhanden hebben van cocaïne en heroïne. Voor deze drie strafbare feiten heeft het gerechtshof aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Het gerechtshof heeft de inbeslaggenomen weegschalen en het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 7.139,05 verbeurd verklaard. Het hof heeft de teruggave gelast aan de verdachte van € 33.334,27 en van 101 Amerikaanse dollars.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2022 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder feit 3 tenlastegelegde en de strafoplegging. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam om de zaak in zoverre opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 6 januari 2022 en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Omvang van de zaak
Gelet op voormelde procesgang is, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het – kortgezegd – (schuld) witwassen van een contant geldbedrag ad € 38.846,64 en de hoogte van de straf.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
3hij op of omstreeks 29 december 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, van een of meer voorwerpen te weten - een contant geldbedrag van (in totaal) 38.846,64,- euro en/of - een Rolex horloge, - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindtplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of - dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, dan wel redelijker wijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vrijspraak van feit 3
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de verdachte voor wat betreft feit 3 wordt veroordeeld tot het witwassen van een bedrag van € 7.139,02.
De verdediging heeft bepleit dat de verklaring van de verdachte niet volstrekt ongeloofwaardig is en dat het stappenplan niet meebrengt dat de verdachte zijn verklaring aannemelijk moet maken. Het is aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid komen vast te staan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. Het hof is van oordeel dat overeenkomstig de eenvoudige kasopstelling moet worden uitgegaan van een legaal beginsaldo van € 17.000,00, omdat de verklaring van de verdachte over de verkoop van zijn café [café] in 2014 en de gokkasten, onvoldoende is onderzocht. Daaruit volgt dat voor een contant geldbedrag van € 7.139,02 een verklaring dient te worden gegeven, die het gerechtvaardigde vermoeden van witwassen kan weerleggen. Daarbij merkt het hof op dat het feit dat van de verdachte een verklaring mag worden verwacht, niet betekent niet dat hij aannemelijk moet maken dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat € 10.000,00 afkomstig is van de zus van de verdachte die in 2021 overleden is. De verdachte heeft op de terechtzitting bij dit hof op 6 januari 2022 verklaard dat hij sinds 2016 jaarlijks € 2.000,00 à € 3.000,00 contant ontving van zijn zus, omdat zij een hartafwijking had waardoor zij geen uitvaartverzekering kon afsluiten. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging een e-mailbericht van de broer van de verdachte overgelegd, waarin staat geschreven:
“[naam] is van jongs af aan hartpatiënt geweest en heeft regelmatig gezondheidsklachten ervaren waarvoor zij behandeld werd. Omdat zij hartpatiënt was, werd haar geweigerd om een uitvaartverzekering af te sluiten. Hierdoor heeft zij in de loop der jaren geld opzij gehouden voor een eventuele uitvaart. Hier heeft zij regelmatig met haar familieleden over gesproken en aangegeven dat zij een traditionele uitvaart wenste, en waar zij het geld hiervoor bewaarde. (…) Op het moment dat [naam] voor haar laatste behandeling werd opgenomen, hebben zij en [verdachte] besproken dat hij zowel de financiële, praktische en religieuze afhandeling van de uitvaart op zich zou nemen (…). De familie was op de hoogte van en stemde in met de mondelinge afspraken tussen broer en zus, inclusief de kostendekking indien de operatie niet goed zou verlopen. De specifieke bedragen waren echter alleen hen beide bekend.”
Naar het oordeel van het hof volgt uit de verklaring van de verdachte en het e-mailbericht van zijn broer dat de familie van de verdachte bekend was met hetgeen tussen de verdachte en zijn zus was afgesproken over het geld voor de uitvaart. Zo blijkt uit de zinsnede: “Hierdoor heeft zij in de loop der jaren geld opzij gehouden voor een eventuele uitvaart. Hier heeft zij regelmatig met haar familieleden over gesproken (…) waar zij het geld hiervoor bewaarde” dat familieleden op de hoogte zijn geweest van de plek waar het geld voor de uitvaart bewaard werd.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 3 met wijziging van de gronden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
17. 1 STK Weegschaal (omschrijving: G6012330, Kansas)
18. 1 STK Weegschaal (omschrijving: G6012331, zwart)
19. 3 STKS Weegschaal (omschrijving: G6012352, zilverkleurig)
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. geld 1.550 euro (omschrijving: 6012298)
2. geld 53,65 euro (omschrijving: 6012299)
3. geld 4.110 euro (omschrijving: 6012382)
4. geld 3.250 euro (omschrijving: 6012388)
5. geld 9.055 euro (omschrijving: 6012401)
6. geld 100 euro (omschrijving: 6012406)
8. geld 1 1.705 euro (omschrijving: 6012410)
9. geld 8.410 euro (omschrijving: 6012442)
11. geld 1.641,89 (omschrijving: muntgeld G-6014179)
12. geld 674,75 euro (omschrijving: munten G-6014180)
13. geld 82,05 euro (omschrijving: 6012482; 101 USD tegenwaarde 82,05)
14. geld 51,03 euro (omschrijving: G6012306)
15. geld 345 SRD; incourant geld (omschrijving: G6012486)
16. geld 20 SEK; incourant geld (omschrijving: G6012488)
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. I.A. Groenendijk, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 augustus 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.