Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-01-30
ECLI:NL:GHAMS:2024:242
Civiel recht
Hoger beroep
5,252 tokens
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.324.251/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/408092 / KL RK 22/106
Dictum
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
gemachtigde: mr. B.R.J. Rothuizen, advocaat te Breda,
tegen
mr. [geïntimeerde] ,
notaris te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. H.J. Delhaas, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De notaris heeft in 2011 een akte van verdeling van de nalatenschap van de toenmalige schoonvader van klager gepasseerd. Bij die akte is de eigendom van een tot de nalatenschap behorende woning toegedeeld aan de toenmalige echtgenote van klager en met toepassing van de zogenaamde uitsluitingsclausule uitsluitend op naam van de echtgenote van klager (en dus niet op naam van klager) gezet. Klager verwijt de notaris dat zij hem daarover destijds niet naar behoren heeft geïnformeerd.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 9 maart 2023 bij het hof een beroepschrift – met bijlagen – ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 10 februari 2023 (ECLI:NL:TNORARL:2023:11). Op 3 april 2023 heeft klager aanvullende gronden
– met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.2.
De notaris heeft op 2 mei 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2023. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de notaris, vergezeld van haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
Feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
Op 1 februari 2011 heeft de notaris een akte van verdeling van de nalatenschap van de toenmalige schoonvader van klager gepasseerd. Klager was daarbij aanwezig. Bij deze akte is de eigendom van de tot de nalatenschap behorende voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) toegedeeld aan de toenmalige echtgenote van klager en met toepassing van de zogenaamde uitsluitingsclausule uitsluitend op naam van de echtgenote van klager (en dus niet mede op naam van klager) gezet.
3.2.
Ter financiering van de woning hebben klager en zijn toenmalige echtgenote een hypothecaire lening afgesloten bij de Rabobank. De hypotheekakte is direct na het passeren van de akte van verdeling door de notaris gepasseerd.
3.3.
Bij e-mail van 12 oktober 2011 heeft de notaris de toenmalige echtgenote van klager laten weten dat de woning destijds niet op naam van haar echtgenoot was gezet omdat dan over de helft van de waarde van de woning 6% overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn.
3.4.
Bij e-mail van 3 mei 2019 heeft de notaris de toenmalige echtgenote van klager als volgt bericht:
“ (…) Naar aanleiding van uw verzoek zend ik bijgaand het testament van uw vader (…).
In het testament van uw vader is de zgn. uitsluitingsclausule op genomen. Zie onderdeel VI van het testament.
In de verdelingsakte is de woning u toebedeeld, de eigendom van de woning is derhalve bij u. (…) ”.
3.5.
Bij beschikking van 17 september 2019 is tussen klager en zijn toenmalige echtgenote de echtscheiding uitgesproken. Bij vonnis van 30 juni 2021 is de verdeling van de tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap gelast.
4De klacht
Klager verwijt de notaris dat hij destijds niet naar behoren is geïnformeerd dat de woning die tijdens zijn huwelijk met zijn ex-echtgenote werd geërfd en verkregen uit de nalatenschap van de schoonouders van klager uitsluitend op naam van zijn ex-echtgenote staat. Klager heeft pas bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederen-gemeenschap op 30 juni 2021 begrepen dat de eigendom van de woning daar buiten valt.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard omdat de vervaltermijn van drie jaren – als bedoeld in artikel 99 lid 21 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) – is overschreden en de klacht dus te laat is ingediend.
Vervaltermijn
5.2.
Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat-)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken over zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3), zie laatstelijk ECLI:NL:GHAMS:2022:2388.
5.3.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de klacht van klager niet-ontvankelijk is vanwege het verstrijken van de vervaltermijn. Het handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden bij gelegenheid van het passeren van de akte van 1 februari 2011. Op dat moment had het immers volgens klager voor de notaris duidelijk moeten zijn dat klager de uitleg van de notaris niet begreep en had het volgens klager op de weg van de notaris gelegen klager naar behoren te informeren, bijvoorbeeld door het inschakelen van een tolk. De notaris heeft verklaard dat tijdens het passeren van de hypotheekakte uitdrukkelijk is gesproken over de zogenaamde uitsluitingsclausule. Daarbij is door de notaris uitgelegd dat klager, anders dan door middel van een eventuele akte van levering, geen mede-eigenaar zou worden van de door zijn ex-echtgenote geërfde woning. Klager stelt dat hij feitelijk geen kennis heeft kunnen nemen van deze uitleg van de notaris vanwege zijn taalbarrière. Ter zitting in hoger beroep heeft klager verklaard dat hij wel wist dat hij met zijn ex-echtgenote meeging naar de notaris voor de verdeling van de nalatenschap van haar overleden ouders en om de hypotheekakte ten behoeve van de financiering van de woning te ondertekenen, maar dat het hem in het onderhoud met de notaris in het geheel niet duidelijk was wat er allemaal werd besproken. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof met zich dat moet worden geoordeeld dat klager op 1 februari 2011 heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waartegen zijn klacht zich richt, namelijk het niet naar behoren informeren van klager. Daarmee is naar het oordeel van het hof op dat moment voldaan aan de voorwaarden die de Wna stelt voor de start van de driejaarstermijn.
5.4.
Op grond van artikel 99 lid 21 Wna verloopt het klachtrecht drie jaar na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris. De vervaltermijn is dus gaan lopen op 2 februari 2011. Omdat de klacht van klager is ingediend na het verstrijken van de vervaltermijn – namelijk op 28 augustus 2022 – is klager te laat met zijn klacht.
Indien klager voorts heeft willen betogen dat hij met de gevolgen van het verweten gedrag van de notaris pas bij ontvangst in januari 2022 van het vonnis in de echtscheidingsprocedure van 30 juni 2021 bekend is geworden, kan hem dat betoog niet baten, wat er verder ook zij van de aannemelijkheid van de genoemde datum van ontvangst. Nu volgens de verklaring van klager ter zitting in hoger beroep hij niet begreep wat er ten aanzien van de woning gebeurde op 1 februari 2011, had het op zijn weg gelegen binnen drie jaar nader onderzoek te doen. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het hof is dan ook van oordeel dat de situatie dat de gevolgen pas nadien bekend zijn geworden, zich hier niet voordoet (vgl. hof Amsterdam 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2388).
5.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.
Dictum
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, J.C.W. Rang en
J.T.A. van der Stok en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024 door de rolraadsheer.
Dictum
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.324.251/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/408092 / KL RK 22/106
Dictum
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
gemachtigde: mr. B.R.J. Rothuizen, advocaat te Breda,
tegen
mr. [geïntimeerde] ,
notaris te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. H.J. Delhaas, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1De zaak in het kort
De notaris heeft in 2011 een akte van verdeling van de nalatenschap van de toenmalige schoonvader van klager gepasseerd. Bij die akte is de eigendom van een tot de nalatenschap behorende woning toegedeeld aan de toenmalige echtgenote van klager en met toepassing van de zogenaamde uitsluitingsclausule uitsluitend op naam van de echtgenote van klager (en dus niet op naam van klager) gezet. Klager verwijt de notaris dat zij hem daarover destijds niet naar behoren heeft geïnformeerd.
Procesverloop
2.1.
Klager heeft op 9 maart 2023 bij het hof een beroepschrift – met bijlagen – ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 10 februari 2023 (ECLI:NL:TNORARL:2023:11). Op 3 april 2023 heeft klager aanvullende gronden
– met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.2.
De notaris heeft op 2 mei 2023 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 november 2023. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de notaris, vergezeld van haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
Feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
Op 1 februari 2011 heeft de notaris een akte van verdeling van de nalatenschap van de toenmalige schoonvader van klager gepasseerd. Klager was daarbij aanwezig. Bij deze akte is de eigendom van de tot de nalatenschap behorende voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) toegedeeld aan de toenmalige echtgenote van klager en met toepassing van de zogenaamde uitsluitingsclausule uitsluitend op naam van de echtgenote van klager (en dus niet mede op naam van klager) gezet.
3.2.
Ter financiering van de woning hebben klager en zijn toenmalige echtgenote een hypothecaire lening afgesloten bij de Rabobank. De hypotheekakte is direct na het passeren van de akte van verdeling door de notaris gepasseerd.
3.3.
Bij e-mail van 12 oktober 2011 heeft de notaris de toenmalige echtgenote van klager laten weten dat de woning destijds niet op naam van haar echtgenoot was gezet omdat dan over de helft van de waarde van de woning 6% overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn.
3.4.
Bij e-mail van 3 mei 2019 heeft de notaris de toenmalige echtgenote van klager als volgt bericht:
“ (…) Naar aanleiding van uw verzoek zend ik bijgaand het testament van uw vader (…).
In het testament van uw vader is de zgn. uitsluitingsclausule op genomen. Zie onderdeel VI van het testament.
In de verdelingsakte is de woning u toebedeeld, de eigendom van de woning is derhalve bij u. (…) ”.
3.5.
Bij beschikking van 17 september 2019 is tussen klager en zijn toenmalige echtgenote de echtscheiding uitgesproken. Bij vonnis van 30 juni 2021 is de verdeling van de tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap gelast.
4De klacht
Klager verwijt de notaris dat hij destijds niet naar behoren is geïnformeerd dat de woning die tijdens zijn huwelijk met zijn ex-echtgenote werd geërfd en verkregen uit de nalatenschap van de schoonouders van klager uitsluitend op naam van zijn ex-echtgenote staat. Klager heeft pas bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederen-gemeenschap op 30 juni 2021 begrepen dat de eigendom van de woning daar buiten valt.
Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de notaris niet-ontvankelijk verklaard omdat de vervaltermijn van drie jaren – als bedoeld in artikel 99 lid 21 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) – is overschreden en de klacht dus te laat is ingediend.
Vervaltermijn
5.2.
Ingevolge artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde persoon kennis heeft genomen van het handelen of nalaten dat tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. De wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (kandidaat-)notaris waarop de klacht betrekking heeft. Niet is vereist dat klager ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Volgens de wetsgeschiedenis is het stellen van een termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid nuttig en nodig omdat de notaris niet tot in lengte van jaren moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken over zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 569, C, p. 3), zie laatstelijk ECLI:NL:GHAMS:2022:2388.
5.3.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de klacht van klager niet-ontvankelijk is vanwege het verstrijken van de vervaltermijn. Het handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden bij gelegenheid van het passeren van de akte van 1 februari 2011. Op dat moment had het immers volgens klager voor de notaris duidelijk moeten zijn dat klager de uitleg van de notaris niet begreep en had het volgens klager op de weg van de notaris gelegen klager naar behoren te informeren, bijvoorbeeld door het inschakelen van een tolk. De notaris heeft verklaard dat tijdens het passeren van de hypotheekakte uitdrukkelijk is gesproken over de zogenaamde uitsluitingsclausule. Daarbij is door de notaris uitgelegd dat klager, anders dan door middel van een eventuele akte van levering, geen mede-eigenaar zou worden van de door zijn ex-echtgenote geërfde woning. Klager stelt dat hij feitelijk geen kennis heeft kunnen nemen van deze uitleg van de notaris vanwege zijn taalbarrière. Ter zitting in hoger beroep heeft klager verklaard dat hij wel wist dat hij met zijn ex-echtgenote meeging naar de notaris voor de verdeling van de nalatenschap van haar overleden ouders en om de hypotheekakte ten behoeve van de financiering van de woning te ondertekenen, maar dat het hem in het onderhoud met de notaris in het geheel niet duidelijk was wat er allemaal werd besproken. Een en ander brengt naar het oordeel van het hof met zich dat moet worden geoordeeld dat klager op 1 februari 2011 heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris waartegen zijn klacht zich richt, namelijk het niet naar behoren informeren van klager. Daarmee is naar het oordeel van het hof op dat moment voldaan aan de voorwaarden die de Wna stelt voor de start van de driejaarstermijn.
5.4.
Op grond van artikel 99 lid 21 Wna verloopt het klachtrecht drie jaar na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris. De vervaltermijn is dus gaan lopen op 2 februari 2011. Omdat de klacht van klager is ingediend na het verstrijken van de vervaltermijn – namelijk op 28 augustus 2022 – is klager te laat met zijn klacht.
Indien klager voorts heeft willen betogen dat hij met de gevolgen van het verweten gedrag van de notaris pas bij ontvangst in januari 2022 van het vonnis in de echtscheidingsprocedure van 30 juni 2021 bekend is geworden, kan hem dat betoog niet baten, wat er verder ook zij van de aannemelijkheid van de genoemde datum van ontvangst. Nu volgens de verklaring van klager ter zitting in hoger beroep hij niet begreep wat er ten aanzien van de woning gebeurde op 1 februari 2011, had het op zijn weg gelegen binnen drie jaar nader onderzoek te doen. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het hof is dan ook van oordeel dat de situatie dat de gevolgen pas nadien bekend zijn geworden, zich hier niet voordoet (vgl. hof Amsterdam 23 augustus 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2388).
5.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen.
Dictum
Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.M. Tromp, J.C.W. Rang en
J.T.A. van der Stok en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2024 door de rolraadsheer.