Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-01-15
ECLI:NL:GHAMS:2024:239
Strafrecht
Hoger beroep
4,284 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000913-22
datum uitspraak: 15 januari 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-328545-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1993,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2024.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 25 oktober 2019 te Haarlem, om ongeveer 01:20 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen [adres02] te Haarlem, alwaar verdachte(n) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), heeft weggenomen een IPhone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer01]
de Beurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 oktober 2019 te Haarlem, om ongeveer 01:20 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen [adres02] te Haarlem, alwaar verdachten zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, heeft weggenomen een iPhone, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaar.
De raadsman heeft het hof verzocht aan de verdachte een straf op te leggen conform de eis van de advocaat-generaal, met dien verstande dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van één jaar wordt gekoppeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een nachtelijke woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Woninginbraken veroorzaken doorgaans niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Het is voor de slachtoffers zeer onaangenaam om te moeten leven met de wetenschap dat vreemden in de woning zijn geweest en persoonlijke en dierbare bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. De verdachte heeft getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en er niet voor terug te deinzen om daar met het oog op eigen gewin inbreuk op te maken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden. Toch zal het hof daartoe niet overgaan. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door hem toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep, aanleiding om in het voordeel van de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De privésituatie van de verdachte met betrekking tot zijn dagbesteding, financiën en woonsituatie lijkt recentelijk te zijn gestabiliseerd. De verdachte is aan het werk, zijn schulden zijn nagenoeg afbetaald en hij heeft een woning waar hij met zijn jonge gezin woont. Het hof acht het in het belang van de verdachte en dat van de samenleving niet wenselijk dat deze prille positieve ontwikkelingen worden doorkruist door strafoplegging die (hernieuwde) vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarom zal het hof de in beginsel passend geachte gevangenisstraf geheel in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van één jaar als stok achter de deur. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
1 (één) maand
.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaar
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
80 (tachtig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis
.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 januari 2024.
Mr. Van Toor is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000913-22
datum uitspraak: 15 januari 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-328545-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1993,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2024.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 25 oktober 2019 te Haarlem, om ongeveer 01:20 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen [adres02] te Haarlem, alwaar verdachte(n) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), heeft weggenomen een IPhone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer01]
de Beurs, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 oktober 2019 te Haarlem, om ongeveer 01:20 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen [adres02] te Haarlem, alwaar verdachten zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, heeft weggenomen een iPhone, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaar.
De raadsman heeft het hof verzocht aan de verdachte een straf op te leggen conform de eis van de advocaat-generaal, met dien verstande dat aan de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van één jaar wordt gekoppeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een nachtelijke woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Woninginbraken veroorzaken doorgaans niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Het is voor de slachtoffers zeer onaangenaam om te moeten leven met de wetenschap dat vreemden in de woning zijn geweest en persoonlijke en dierbare bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. De verdachte heeft getoond geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en er niet voor terug te deinzen om daar met het oog op eigen gewin inbreuk op te maken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele maanden. Toch zal het hof daartoe niet overgaan. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door hem toegelicht ter terechtzitting in hoger beroep, aanleiding om in het voordeel van de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De privésituatie van de verdachte met betrekking tot zijn dagbesteding, financiën en woonsituatie lijkt recentelijk te zijn gestabiliseerd. De verdachte is aan het werk, zijn schulden zijn nagenoeg afbetaald en hij heeft een woning waar hij met zijn jonge gezin woont. Het hof acht het in het belang van de verdachte en dat van de samenleving niet wenselijk dat deze prille positieve ontwikkelingen worden doorkruist door strafoplegging die (hernieuwde) vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarom zal het hof de in beginsel passend geachte gevangenisstraf geheel in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van één jaar als stok achter de deur. Daarnaast zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
1 (één) maand
.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaar
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
80 (tachtig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis
.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. D.A.G. van Toor, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
15 januari 2024.
Mr. Van Toor is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.