Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-08-01
ECLI:NL:GHAMS:2024:2213
Strafrecht
Hoger beroep
4,286 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003169-22
datum uitspraak: 18 juli 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 13-319347-21 en 13-741254-16 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] ,
[detentie adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte instellen hoger beroep beperkt ingesteld zodat het in eerste aanleg onder 1 tenlastegelegde feit in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
2. primair hij op of omstreeks 2 maart 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, een fiets (merk [merknaam] , type E-bike), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2022 tot en met 2 maart 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, een fiets (merk [merknaam] , type E-bike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 maart 2022 te Amsterdam een fiets (merk [merknaam] , type E-bike) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
schuldheling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde schuldheling, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht aansluiting te zoeken bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een elektrische fiets van een
aanzienlijke waarde. Helingshandelingen vormen een stimulans voor het plegen van
vermogensdelicten. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden
van de afzetmarkt voor gestolen goederen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2024 is hij eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Dat weegt het hof in het nadeel van de verdachte bij de strafoplegging mee.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande en in het bijzonder vanwege de recidive niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, passend en geboden.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft aanvankelijk gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, parketnummer 13-741254-16, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 54 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Gelet op het standpunt van de advocaat-generaal acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 17 augustus 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, parketnummer 13-741254-16, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 54 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M.L.M. van der Voet en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2024.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003169-22
datum uitspraak: 18 juli 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 13-319347-21 en 13-741254-16 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] ,
[detentie adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte instellen hoger beroep beperkt ingesteld zodat het in eerste aanleg onder 1 tenlastegelegde feit in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
2. primair hij op of omstreeks 2 maart 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, een fiets (merk [merknaam] , type E-bike), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2022 tot en met 2 maart 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, een fiets (merk [merknaam] , type E-bike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 maart 2022 te Amsterdam een fiets (merk [merknaam] , type E-bike) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
schuldheling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde schuldheling, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht aansluiting te zoeken bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een elektrische fiets van een
aanzienlijke waarde. Helingshandelingen vormen een stimulans voor het plegen van
vermogensdelicten. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden
van de afzetmarkt voor gestolen goederen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2024 is hij eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Dat weegt het hof in het nadeel van de verdachte bij de strafoplegging mee.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande en in het bijzonder vanwege de recidive niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van één week met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, passend en geboden.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft aanvankelijk gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, parketnummer 13-741254-16, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 54 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Gelet op het standpunt van de advocaat-generaal acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 17 augustus 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, parketnummer 13-741254-16, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 54 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M.L.M. van der Voet en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2024.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.