Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-08-01
ECLI:NL:GHAMS:2024:2211
Strafrecht
Hoger beroep
5,740 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003936-18
datum uitspraak: 1 augustus 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-170835-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, de beslissingen ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof bewijsmiddel 1 aanvult en bewijsmiddel 3 en de strafmotivering zal vervangen door het navolgende bewijsmiddel en de navolgende strafmotivering.
Bewijsmiddel
1. Proces-verbaal van aangifte van 29 augustus 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 6-8 (in het vonnis is abusievelijk vermeld pag. 3 t/m5).
Dit proces-verbaal houdt als verklaring van [benadeelde partij] tevens in, zakelijk weergegeven:
Op 28 augustus 2018 ben ik samen met een vriendin genaamd [naam] (het hof begrijpt: [naam]) iets gaan eten in Amsterdam. Rond 01.00 uur [het hof begrijpt: op 29 augustus 2018] zijn we weggegaan en met de pont naar Noord gegaan.
3. Proces-verbaal van videoverhoor getuige door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van 16 januari 2024.
Dit proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – in als verklaring van getuige [getuige], zakelijk weergegeven:
Op de pont [het hof begrijpt: de pont naar Amsterdam Noord op 29 augustus 2028] hebben we de ruzie niet gezien. Van de pont af hebben we wel ruzie gezien en het geweld. Bij dit incident waren twee vrouwen en één man betrokken. De man sloeg een van de vrouwen rond het gezicht. De vrouw die geslagen was, had een gespleten lip, haar lip bloedde. De ruzie ging over roken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.
Het onder 1 bewezenverklaarde heeft de politierechter gekwalificeerd als mishandeling; in zoverre blijft het vonnis in stand.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van de strafoplegging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf te matigen en daarbij ook acht te slaan op het feit dat met een geldboete volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zou kunnen worden volstaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft ’s nachts met twee jonge vrouwen een woordenwisseling gekregen over een aangestoken sigaret tijdens de oversteek op een veerpont. Hij heeft één van die twee in het gezicht geslagen en beide vrouwen in forse bewoordingen uitgescholden. De verdachte heeft aldus niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer met pijn en letsel tot gevolg, maar dergelijke feiten brengen veelal ook gevoelens van angst en onrust bij de direct betrokkenen en bij willekeurige derden teweeg.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2024 is hij eerder meermalen voor soortgelijke feiten onherroepelijk tot verschillende straffen veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit dit uittreksel volgt ook dat hem ter zake van een mishandeling op 14 december 2015 een taakstraf is opgelegd en dat de verdachte deze taakstraf heeft verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande en in het bijzonder vanwege de veelvuldige recidive in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van twee weken met zich brengt. Die mate van vrijheidsbeneming acht het hof hier in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt echter vast dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met ruim 3,5 jaar is overschreden, welke overschrijding hooguit in geringe mate aan de verdachte toe te schrijven is. Naar het oordeel van het hof moet de op te leggen straf vanwege deze forse overschrijding van de redelijke termijn worden gematigd tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van één jaar.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.275,71. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.300,00 totaal, waarvan € 2.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 300,00 ter vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot hetzelfde bedrag als toegewezen door de politierechter in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen ten onrechte nog geen aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting heeft plaatsgevonden en dat het hof aan de hand van een schatting tot die matiging dient over te gaan.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.557,66 (tweeduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 1.957,66 (duizend negenhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.557,66 (tweeduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 1.957,66 (duizend negenhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 oktober 2018 en van de immateriële schade op 29 augustus 2018.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. M.L.M. van der Voet en mr. N.E. Kwak in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 augustus 2024.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003936-18
datum uitspraak: 1 augustus 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-170835-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, de beslissingen ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof bewijsmiddel 1 aanvult en bewijsmiddel 3 en de strafmotivering zal vervangen door het navolgende bewijsmiddel en de navolgende strafmotivering.
Bewijsmiddel
1. Proces-verbaal van aangifte van 29 augustus 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 6-8 (in het vonnis is abusievelijk vermeld pag. 3 t/m5).
Dit proces-verbaal houdt als verklaring van [benadeelde partij] tevens in, zakelijk weergegeven:
Op 28 augustus 2018 ben ik samen met een vriendin genaamd [naam] (het hof begrijpt: [naam]) iets gaan eten in Amsterdam. Rond 01.00 uur [het hof begrijpt: op 29 augustus 2018] zijn we weggegaan en met de pont naar Noord gegaan.
3. Proces-verbaal van videoverhoor getuige door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van 16 januari 2024.
Dit proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – in als verklaring van getuige [getuige], zakelijk weergegeven:
Op de pont [het hof begrijpt: de pont naar Amsterdam Noord op 29 augustus 2028] hebben we de ruzie niet gezien. Van de pont af hebben we wel ruzie gezien en het geweld. Bij dit incident waren twee vrouwen en één man betrokken. De man sloeg een van de vrouwen rond het gezicht. De vrouw die geslagen was, had een gespleten lip, haar lip bloedde. De ruzie ging over roken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.
Het onder 1 bewezenverklaarde heeft de politierechter gekwalificeerd als mishandeling; in zoverre blijft het vonnis in stand.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft in het kader van de strafoplegging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf te matigen en daarbij ook acht te slaan op het feit dat met een geldboete volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zou kunnen worden volstaan.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft ’s nachts met twee jonge vrouwen een woordenwisseling gekregen over een aangestoken sigaret tijdens de oversteek op een veerpont. Hij heeft één van die twee in het gezicht geslagen en beide vrouwen in forse bewoordingen uitgescholden. De verdachte heeft aldus niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer met pijn en letsel tot gevolg, maar dergelijke feiten brengen veelal ook gevoelens van angst en onrust bij de direct betrokkenen en bij willekeurige derden teweeg.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2024 is hij eerder meermalen voor soortgelijke feiten onherroepelijk tot verschillende straffen veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit dit uittreksel volgt ook dat hem ter zake van een mishandeling op 14 december 2015 een taakstraf is opgelegd en dat de verdachte deze taakstraf heeft verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het bovenstaande en in het bijzonder vanwege de veelvuldige recidive in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van twee weken met zich brengt. Die mate van vrijheidsbeneming acht het hof hier in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt echter vast dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met ruim 3,5 jaar is overschreden, welke overschrijding hooguit in geringe mate aan de verdachte toe te schrijven is. Naar het oordeel van het hof moet de op te leggen straf vanwege deze forse overschrijding van de redelijke termijn worden gematigd tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van één jaar.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.275,71. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.300,00 totaal, waarvan € 2.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 300,00 ter vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot hetzelfde bedrag als toegewezen door de politierechter in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen ten onrechte nog geen aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting heeft plaatsgevonden en dat het hof aan de hand van een schatting tot die matiging dient over te gaan.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.557,66 (tweeduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 1.957,66 (duizend negenhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.557,66 (tweeduizend vijfhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 1.957,66 (duizend negenhonderdzevenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 oktober 2018 en van de immateriële schade op 29 augustus 2018.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. M.L.M. van der Voet en mr. N.E. Kwak in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 augustus 2024.
Mr. N.E. Kwak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]