Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2024-06-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:2161
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 22/2426 18 juni 2024 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 van die wet, van de zevende enkelvoudige belastingkamer op het verzet ingesteld door [X] , wonende te [Z] , tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet, gedane uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 24 oktober 2023 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 21/2032 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [A] en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. [X] (hierna: [X] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 september 2022, bij het Hof ingekomen op 7 november 2022. De uitspraak van de rechtbank betreft een beroep ingesteld door [X] als gemachtigde van [A] . 1.2. Het hoger beroep is bij uitspraak van 24 oktober 2023 (verzonden op 7 november 2023) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet, niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een machtiging door [X] . 1.3. Daarop is van [X] een verzetschrift ontvangen op 3 december 2023. Het verzet is behandeld ter zitting van het Hof van 13 juni 2024. [X] heeft zich per e-mail van 17 april 2024 afgemeld voor de zitting. 2 Geschil in verzet In geschil is het antwoord op de vraag of het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet binnen de daartoe gestelde termijn indienen van een machtiging. 3 Beoordeling van het verzet 3.1. Artikel 26a, tweede lid AWR luidt als volgt: “Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.” Dat doet er evenwel niet aan af dat ingevolge artikel 7:1 Awb [X] dan eerst zelf bezwaar had moeten instellen. Artikel 7:1, eerste lid aanhef Awb luidt immers als volgt: “Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij (…)” [X] heeft niet zelf bezwaar gemaakt, maar als gemachtigde van [A] . In die hoedanigheid heeft zij ook beroep ingesteld. 3.2. [X] kon derhalve niet zelf hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de rechtbank met zaaknummer HAA 21/2032 doch uitsluitend als de gemachtigde van [A] . Omdat zij – hoewel daarom is verzocht – geen machtiging heeft overgelegd waaruit volgt dat zij daartoe bevoegd was, is het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede wijst het Hof er nog op dat tijdens de zitting van de rechtbankook de zaak HAA 21/2020 van [X] zelf behandeld is. Het hoger beroep richt zich blijkens de aanhef van het pro forma hogerberoepschrift ook tegen HAA 21/2020. In die zaak is op 14 september 2023 uitspraak gedaan met kenmerk 22/2425 (ECLI:NL:GHAMS:2023:3196). Slotsom 3.3. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het verzet ongegrond is. 4 Kosten Voor een kostenveroordeling ziet het Hof geen aanleiding. 5 Beslissing Het Hof verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak is gedaan door mr. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 18 juni 2024 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen