Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-30
ECLI:NL:GHAMS:2024:2156
Strafrecht
Hoger beroep
4,952 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002304-23
datum uitspraak: 30 juli 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-249908-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2022 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt met betrekking tot de bewijsvraag dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat de verdachte weliswaar (veel) vragen heeft gesteld maar dat dit niet kan worden gekwalificeerd als een weigering. Van het weigeren om gevolg te geven aan het bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek is daarom geen sprake geweest.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit het nadere proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2023, dat naar aanleiding van het vonnis van de politierechter is opgemaakt, blijkt het volgende. De verdachte werd op 21 september 2022 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie nadat hij die avond had geweigerd mee te werken aan de alcoholtest en speekseltest en was aangehouden ter zake van onder andere het rijden onder invloed van verdovende middelen. De verdachte stelde tijdens de voorgeleiding heel veel vragen en onderbrak de voorgeleiding aldoor. De hulpofficier van justitie beantwoordde zoveel mogelijk vragen van de verdachte. Op enig moment deelde de hulpofficier van justitie de verdachte mede dat hij door zijn gedrag het onderzoek van de politie belemmerde en dat het wenselijk zou zijn om goed te luisteren en zijn medewerking te verlenen. Kort na de voorgeleiding vorderde de hulpofficier van justitie voor de eerste keer dat de verdachte moest meewerken aan een bloedproef. De verdachte bleef door hem heen spreken en vragen stellen die niets met het onderzoek van doen hadden. Ook nu weer beantwoordde de hulpofficier van justitie zoveel mogelijk de vragen van de verdachte die ertoe deden, maar de verdachte luisterde niet. Uiteindelijk vorderde de hulpofficier van justitie driemaal dat de verdachte zijn medewerking moest verlenen aan een bloedproef, waarbij de verdachte is uitgelegd wat de consequenties van een weigering zouden zijn. Desondanks veranderde het gedrag van de verdachte niet, waarop de verdachte is medegedeeld dat hij genoeg kansen had gehad en dat een proces-verbaal van weigeren bloedproef zou worden opgemaakt.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het hem duidelijk was dat hij medewerking moest verlenen aan het bloedonderzoek.
Het hof is van oordeel dat uit voorgaande gang van zaken evident blijkt dat de verdachte – ondanks het nodige geduld en drie bevelen van de hulpofficier van justitie – op geen enkele manier gevolg heeft gegeven aan een bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek en zijn medewerking heeft verleend aan een bloedonderzoek en daarmee dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van voornoemd artikel. Van verleende medewerking is pas sprake wanneer de verdachte zijn volledige medewerking verleent aan bloedafname tot het moment dat het betreffende onderzoek kan worden voltooid.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 september 2022 te Zaandijk, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren – indien niet naar behoren verricht – te vervangen door 20 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Voorts heeft zij gevorderd dat de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor de duur van negen maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met artikel 63 Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om een ontzegging van de rijbevoegdheid enkel in voorwaardelijke vorm op te leggen en daartoe aangevoerd dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en studie.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. V.M.A. Sinnige en mr. M. Jeltes, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2024.
mr. M. Jeltes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002304-23
datum uitspraak: 30 juli 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-249908-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2022 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt met betrekking tot de bewijsvraag dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat de verdachte weliswaar (veel) vragen heeft gesteld maar dat dit niet kan worden gekwalificeerd als een weigering. Van het weigeren om gevolg te geven aan het bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek is daarom geen sprake geweest.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit het nadere proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2023, dat naar aanleiding van het vonnis van de politierechter is opgemaakt, blijkt het volgende. De verdachte werd op 21 september 2022 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie nadat hij die avond had geweigerd mee te werken aan de alcoholtest en speekseltest en was aangehouden ter zake van onder andere het rijden onder invloed van verdovende middelen. De verdachte stelde tijdens de voorgeleiding heel veel vragen en onderbrak de voorgeleiding aldoor. De hulpofficier van justitie beantwoordde zoveel mogelijk vragen van de verdachte. Op enig moment deelde de hulpofficier van justitie de verdachte mede dat hij door zijn gedrag het onderzoek van de politie belemmerde en dat het wenselijk zou zijn om goed te luisteren en zijn medewerking te verlenen. Kort na de voorgeleiding vorderde de hulpofficier van justitie voor de eerste keer dat de verdachte moest meewerken aan een bloedproef. De verdachte bleef door hem heen spreken en vragen stellen die niets met het onderzoek van doen hadden. Ook nu weer beantwoordde de hulpofficier van justitie zoveel mogelijk de vragen van de verdachte die ertoe deden, maar de verdachte luisterde niet. Uiteindelijk vorderde de hulpofficier van justitie driemaal dat de verdachte zijn medewerking moest verlenen aan een bloedproef, waarbij de verdachte is uitgelegd wat de consequenties van een weigering zouden zijn. Desondanks veranderde het gedrag van de verdachte niet, waarop de verdachte is medegedeeld dat hij genoeg kansen had gehad en dat een proces-verbaal van weigeren bloedproef zou worden opgemaakt.
De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het hem duidelijk was dat hij medewerking moest verlenen aan het bloedonderzoek.
Het hof is van oordeel dat uit voorgaande gang van zaken evident blijkt dat de verdachte – ondanks het nodige geduld en drie bevelen van de hulpofficier van justitie – op geen enkele manier gevolg heeft gegeven aan een bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek en zijn medewerking heeft verleend aan een bloedonderzoek en daarmee dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van voornoemd artikel. Van verleende medewerking is pas sprake wanneer de verdachte zijn volledige medewerking verleent aan bloedafname tot het moment dat het betreffende onderzoek kan worden voltooid.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 september 2022 te Zaandijk, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren – indien niet naar behoren verricht – te vervangen door 20 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Voorts heeft zij gevorderd dat de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor de duur van negen maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met artikel 63 Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om een ontzegging van de rijbevoegdheid enkel in voorwaardelijke vorm op te leggen en daartoe aangevoerd dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en studie.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. V.M.A. Sinnige en mr. M. Jeltes, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juli 2024.
mr. M. Jeltes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]