Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-04
ECLI:NL:GHAMS:2024:2039
Strafrecht
Hoger beroep
2,546 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000595-20 (ontneming)
datum uitspraak: 4 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-665514-13 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 17.442,00.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 februari 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.869,54 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2024 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – schuldwitwassen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en haar raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op het bedrag van € 17.442,82.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 42.869,54 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt als volgt.
De in het ontnemingsrapport opgenomen berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gemaakt naar aanleiding van de strafbare feiten waar de medebetrokkene toentertijd van werd verdacht.
Alhoewel in het rapport een gezamenlijke kasopstelling is opgenomen voor de medebetrokkene en de betrokkene, is daarin eveneens vermeld dat de medebetrokkene het gehele voordeel heeft gegenereerd met het plegen van strafbare feiten. Het dossier bevat een berekening van een kasopstelling van de onderneming van de betrokkene maar op basis waarvan het saldo van deze kasopstelling of een gedeelte daarvan aan de betrokkene kan worden toegerekend als wederrechtelijk verkregen voordeel afkomstig van witwassen ontbreekt.
Dat de medebetrokkene contant geld stortte op de zakelijke rekening van de eenmanszaak van de betrokkene, kan worden gezien als een besteding van crimineel vermogen dat de medebetrokkene heeft verkregen door het plegen van strafbare feiten. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene voordeel heeft behaald uit hoofde van schuldwitwassen en wat de omvang van dit voordeel zou moeten zijn. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De vordering wordt afgewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. P. Greve en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juli 2024.
mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, 9 augustus 2016, p. A 864 – A 890.
Idem, p. A 887 – A 888.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000595-20 (ontneming)
datum uitspraak: 4 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-665514-13 tegen de betrokkene:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 17.442,00.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 februari 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.869,54 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2024 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – schuldwitwassen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en haar raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op het bedrag van € 17.442,82.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 42.869,54 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt als volgt.
De in het ontnemingsrapport opgenomen berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gemaakt naar aanleiding van de strafbare feiten waar de medebetrokkene toentertijd van werd verdacht.
Alhoewel in het rapport een gezamenlijke kasopstelling is opgenomen voor de medebetrokkene en de betrokkene, is daarin eveneens vermeld dat de medebetrokkene het gehele voordeel heeft gegenereerd met het plegen van strafbare feiten. Het dossier bevat een berekening van een kasopstelling van de onderneming van de betrokkene maar op basis waarvan het saldo van deze kasopstelling of een gedeelte daarvan aan de betrokkene kan worden toegerekend als wederrechtelijk verkregen voordeel afkomstig van witwassen ontbreekt.
Dat de medebetrokkene contant geld stortte op de zakelijke rekening van de eenmanszaak van de betrokkene, kan worden gezien als een besteding van crimineel vermogen dat de medebetrokkene heeft verkregen door het plegen van strafbare feiten. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene voordeel heeft behaald uit hoofde van schuldwitwassen en wat de omvang van dit voordeel zou moeten zijn. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De vordering wordt afgewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. P. Greve en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juli 2024.
mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, 9 augustus 2016, p. A 864 – A 890.
Idem, p. A 887 – A 888.