Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-06-20
ECLI:NL:GHAMS:2024:1781
Strafrecht
Hoger beroep
4,588 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001911-23
datum uitspraak: 20 juni 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-324038-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 26 maart 2024, 9 april 2024 en 6 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, op of omstreeks de periode 22 februari 2022 tot en met 19 oktober 2022, te Alkmaar, in elk geval in Nederland, als houder van een dier, te weten hond (met de naam [naam]), de nodige verzorging aan dat dier heeft onthouden, door [naam] niet voorzien van:
- tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg (waardoor [naam] overgewicht had);
- de juiste hoeveelheden voedsel ([naam] kreeg teveel of onjuiste voeding);
zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 500,00, waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en dat hond [naam] wordt verbeurd verklaard.
Vrijspraak
Met de raadsman van de verdachte en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het hof stelt voorop dat het aan de verdachte ten laste gelegde twee deelverwijten betreft, te weten dat zij haar hond genaamd [naam] niet de tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg heeft gegeven (waardoor [naam] overgewicht had) en dat zij haar hond niet de juiste hoeveelheden voedsel heeft gegeven ([naam] kreeg teveel of onjuiste voeding).
Vaststaat dat [naam] flink overgewicht had. Of de verdachte dat overgewicht heeft veroorzaakt, kan naar het oordeel van het hof evenwel niet worden vastgesteld. Immers, wat het gewicht van [naam] was op het moment dat zij bij de verdachte kwam wonen, is in rechte onbekend gebleven. Uit het dossier blijkt namelijk dat [naam] niet als puppy bij de verdachte is gekomen. Uit de zogenoemde patiëntinformatie komt naar voren dat [naam] op 21 april 2022 de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden had en dat zij op die datum één jaar bij de verdachte woonde. [naam] was derhalve bijna 3 jaar toen zij bij de verdachte kwam. Het hof kan daarom niet uitsluiten dat [naam] op dat moment al overgewicht had.
Het verwijt aan de verdachte is ook niet dát de verdachte het overgewicht bij [naam] heeft veroorzaakt, maar dat zij dit gezondheidsprobleem niet voldoende heeft geadresseerd. De vraag is of dat feitelijk kan worden vastgesteld.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 22 februari 2022 de verbalisanten in de woning van de verdachte constateren dat [naam] te zwaar is. Op 7 juli 2022 wordt [naam] in beslag genomen en zij weegt dan 43,9 kilogram. De dierenarts stelt vast dat het gewicht van [naam] extreem hoog is. Op 20 augustus 2022 gaat [naam] terug naar de verdachte. Zij weegt dan 39,4 kilogram en is 4,5 kilogram afgevallen.
[naam] verblijft dan bij de verdachte tot zij op 19 oktober 2022 opnieuw in beslag wordt genomen. [naam] weegt dan 38,9 kilogram. Onder de zorg van de verdachte is zij dus 0,5 kilogram afgevallen. Vanaf 20 oktober 2022 tot en met (in ieder geval) 31 mei 2023 verblijft [naam] bij een opslaghouder. Bij haar laatste weegmoment daar weegt zij 31,1 kilogram. [naam] is dan 7,5 kilogram afgevallen.
Het hof stelt vast dat 7 juli 2022 - de eerste gewichtsmeting van [naam] in het dossier - het ijkpunt is van waaraf het hof moet vaststellen of de verdachte [naam] van de nodige zorg ten behoeve van het afvallen heeft voorzien. Vast staat dat vanaf die datum [naam] gewichtsverlies had. Weliswaar was het gewichtsverlies van [naam] toen zij bij de verdachte verbleef minder dan toen zij bij de opslaghouders was, maar dit maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Het verwijt onder het tweede gedachtestreepje is immers dat de verdachte de nodige zorg aan [naam] onthield door haar niet te voorzien van de juiste hoeveelheid voedsel. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte de noodzaak tot (extra) zorg voor [naam] onderkende en haar voorzag van de nodige dieetvoeding met als resultaat dat [naam] ook toen zij bij de verdachte verbleef gewichtsverlies had. Het hof zal de verdachte daarom van het tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging vrijspreken.
Evenmin acht het hof bewezen dat de verdachte [naam] niet heeft voorzien van de tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg (waardoor [naam] overgewicht had). Het hof begrijpt dit achter het eerste gedachtestreepje opgenomen verwijt aldus dat de verdachte [naam] meer moest laten bewegen en dat zij [naam] diende te voorzien van medische zorg, te weten het inschakelen van professionals.
Het voldoende laten bewegen van [naam] laat zich naar het oordeel van het hof niet vatten onder de term medische zorg, maar valt onder de (gewone) zorg voor een hond. Uit het dossier blijkt echter niet hoe frequent [naam] bij de verdachte bewegingsmomenten had. Bovendien merkt het hof op dat als [naam] bij de verdachte onvoldoende beweging zou hebben gekregen, daaruit niet zonder meer volgt dat dit dé oorzaak is dat [naam] overgewicht had, zoals ten laste is gelegd. Het hof herhaalt ook hier dat niet is vastgesteld wat het aanvangsgewicht van [naam] was op het moment dat de verdachte de zorg over haar kreeg. Uit de Medische Verklaring Binnenkomst met als datum van onderzoek 20 oktober 2022 volgt weliswaar dat [naam] minder voeding had moeten krijgen waardoor haar fysiek en fysiologisch ongerief had kunnen worden voorkomen, maar aan het voorkomen van dit ongerief werkte de verdachte sinds 20 augustus 2022 juist mee.
Verdachte heeft in haar schriftelijke verklaring aan het hof gesteld dat zij met [naam] juist goed bezig was, haar aan het trainen was en op dieet had gezet. Het hof is van oordeel dat van het tegendeel onvoldoende is gebleken. De resultaten van de door de verdachte gegeven zorg aan [naam] zijn het hof wel gebleken: [naam]’s gewicht nam af. Dat het gewichtsverlies van [naam] bij de verdachte minder spoedig ging dan bij de opslaghouders, laat het voorgaande onverlet en maakt niet dat de verdachte (al) gehouden was professionals in te schakelen.
Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat uit het dossier het beeld naar voren komt dat het ingezette gewichtsverlies bij [naam] zich laat verklaren door vermindering van de energieopname en door een toename van activiteiten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: hond [naam], vervreemd voor € 225,00.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. B.E. Dijkers en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2024.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001911-23
datum uitspraak: 20 juni 2024
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-324038-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 26 maart 2024, 9 april 2024 en 6 juni 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij, op of omstreeks de periode 22 februari 2022 tot en met 19 oktober 2022, te Alkmaar, in elk geval in Nederland, als houder van een dier, te weten hond (met de naam [naam]), de nodige verzorging aan dat dier heeft onthouden, door [naam] niet voorzien van:
- tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg (waardoor [naam] overgewicht had);
- de juiste hoeveelheden voedsel ([naam] kreeg teveel of onjuiste voeding);
zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 500,00, waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en dat hond [naam] wordt verbeurd verklaard.
Vrijspraak
Met de raadsman van de verdachte en anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het hof stelt voorop dat het aan de verdachte ten laste gelegde twee deelverwijten betreft, te weten dat zij haar hond genaamd [naam] niet de tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg heeft gegeven (waardoor [naam] overgewicht had) en dat zij haar hond niet de juiste hoeveelheden voedsel heeft gegeven ([naam] kreeg teveel of onjuiste voeding).
Vaststaat dat [naam] flink overgewicht had. Of de verdachte dat overgewicht heeft veroorzaakt, kan naar het oordeel van het hof evenwel niet worden vastgesteld. Immers, wat het gewicht van [naam] was op het moment dat zij bij de verdachte kwam wonen, is in rechte onbekend gebleven. Uit het dossier blijkt namelijk dat [naam] niet als puppy bij de verdachte is gekomen. Uit de zogenoemde patiëntinformatie komt naar voren dat [naam] op 21 april 2022 de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden had en dat zij op die datum één jaar bij de verdachte woonde. [naam] was derhalve bijna 3 jaar toen zij bij de verdachte kwam. Het hof kan daarom niet uitsluiten dat [naam] op dat moment al overgewicht had.
Het verwijt aan de verdachte is ook niet dát de verdachte het overgewicht bij [naam] heeft veroorzaakt, maar dat zij dit gezondheidsprobleem niet voldoende heeft geadresseerd. De vraag is of dat feitelijk kan worden vastgesteld.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 22 februari 2022 de verbalisanten in de woning van de verdachte constateren dat [naam] te zwaar is. Op 7 juli 2022 wordt [naam] in beslag genomen en zij weegt dan 43,9 kilogram. De dierenarts stelt vast dat het gewicht van [naam] extreem hoog is. Op 20 augustus 2022 gaat [naam] terug naar de verdachte. Zij weegt dan 39,4 kilogram en is 4,5 kilogram afgevallen.
[naam] verblijft dan bij de verdachte tot zij op 19 oktober 2022 opnieuw in beslag wordt genomen. [naam] weegt dan 38,9 kilogram. Onder de zorg van de verdachte is zij dus 0,5 kilogram afgevallen. Vanaf 20 oktober 2022 tot en met (in ieder geval) 31 mei 2023 verblijft [naam] bij een opslaghouder. Bij haar laatste weegmoment daar weegt zij 31,1 kilogram. [naam] is dan 7,5 kilogram afgevallen.
Het hof stelt vast dat 7 juli 2022 - de eerste gewichtsmeting van [naam] in het dossier - het ijkpunt is van waaraf het hof moet vaststellen of de verdachte [naam] van de nodige zorg ten behoeve van het afvallen heeft voorzien. Vast staat dat vanaf die datum [naam] gewichtsverlies had. Weliswaar was het gewichtsverlies van [naam] toen zij bij de verdachte verbleef minder dan toen zij bij de opslaghouders was, maar dit maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Het verwijt onder het tweede gedachtestreepje is immers dat de verdachte de nodige zorg aan [naam] onthield door haar niet te voorzien van de juiste hoeveelheid voedsel. Bovendien blijkt uit het dossier dat de verdachte de noodzaak tot (extra) zorg voor [naam] onderkende en haar voorzag van de nodige dieetvoeding met als resultaat dat [naam] ook toen zij bij de verdachte verbleef gewichtsverlies had. Het hof zal de verdachte daarom van het tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging vrijspreken.
Evenmin acht het hof bewezen dat de verdachte [naam] niet heeft voorzien van de tijdige en/of juiste noodzakelijke (medische) zorg (waardoor [naam] overgewicht had). Het hof begrijpt dit achter het eerste gedachtestreepje opgenomen verwijt aldus dat de verdachte [naam] meer moest laten bewegen en dat zij [naam] diende te voorzien van medische zorg, te weten het inschakelen van professionals.
Het voldoende laten bewegen van [naam] laat zich naar het oordeel van het hof niet vatten onder de term medische zorg, maar valt onder de (gewone) zorg voor een hond. Uit het dossier blijkt echter niet hoe frequent [naam] bij de verdachte bewegingsmomenten had. Bovendien merkt het hof op dat als [naam] bij de verdachte onvoldoende beweging zou hebben gekregen, daaruit niet zonder meer volgt dat dit dé oorzaak is dat [naam] overgewicht had, zoals ten laste is gelegd. Het hof herhaalt ook hier dat niet is vastgesteld wat het aanvangsgewicht van [naam] was op het moment dat de verdachte de zorg over haar kreeg. Uit de Medische Verklaring Binnenkomst met als datum van onderzoek 20 oktober 2022 volgt weliswaar dat [naam] minder voeding had moeten krijgen waardoor haar fysiek en fysiologisch ongerief had kunnen worden voorkomen, maar aan het voorkomen van dit ongerief werkte de verdachte sinds 20 augustus 2022 juist mee.
Verdachte heeft in haar schriftelijke verklaring aan het hof gesteld dat zij met [naam] juist goed bezig was, haar aan het trainen was en op dieet had gezet. Het hof is van oordeel dat van het tegendeel onvoldoende is gebleken. De resultaten van de door de verdachte gegeven zorg aan [naam] zijn het hof wel gebleken: [naam]’s gewicht nam af. Dat het gewichtsverlies van [naam] bij de verdachte minder spoedig ging dan bij de opslaghouders, laat het voorgaande onverlet en maakt niet dat de verdachte (al) gehouden was professionals in te schakelen.
Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat uit het dossier het beeld naar voren komt dat het ingezette gewichtsverlies bij [naam] zich laat verklaren door vermindering van de energieopname en door een toename van activiteiten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: hond [naam], vervreemd voor € 225,00.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. B.E. Dijkers en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2024.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]