Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-06-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:1683
Civiel recht
Hoger beroep
11,070 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.329.379/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C13/718639 / HA ZA 22-460
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2024
inzake
STICHTING FX CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken te Amsterdam,
tegen
1NATWEST MARKETS N.V..
gevestigd te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
2. NATWEST GROUP PLC,
gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
3. NATWEST MARKETS PLC,
gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. P.N. Malanczuk te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
4. BARCLAYS PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
5. BARCLAYS EXECUTION SERVICES LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
6. BARCLAYS BANK PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
7. BARCLAYS CAPITAL INC.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. Chr. F. Kroes te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
8. CITIBANK, N.A.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
9. CITIGROUP INC.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
10. JPMORGAN CHASE & CO.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
11. JPMORGAN CHASE BANK, N.A.,
gevestigd te Columbus, Verenigde Staten van Amerika,
12. J.P. MORGAN EUROPE LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
13. J.P. MORGAN LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. J.K. de Pree te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
14. MUFG BANK, LTD.,
gevestigd te Tokio, Japan,
15. MITSUBISHI UFJ FINANCIAL GROUP INC.,
gevestigd te Tokio, Japan,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. P.L. Tjiam te Amsterdam,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht
UBS AG,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. R. Dufour te ‘s-Gravenhage,
Appellante wordt hierna FX Claims genoemd. Geïntimeerden tezamen worden aangeduid als de banken en geïntimeerden 2 tot en met 16 tezamen als de buitenlandse banken. Geïntimeerden 1 tot en met 3 worden ieder voor zich aangeduid als NatWest N.V., NatWest Group, NatWest Markets en tezamen als NatWest c.s. Geïntimeerden 4 tot en met 7 tezamen worden aangeduid als Barclays c.s., geïntimeerden 8 en 9 als Citibank c.s., geïntimeerden 10 tot en met 13 als JP Morgan c.s. en geïntimeerden als 14 en 15 MUFG c.s. Geïntimeerde 16 wordt UBS genoemd.
1De zaak in het kort
FX Claims heeft als gevolmachtigde van 31 zakelijke partijen follow-on vorderingen ingesteld naar aanleiding van besluiten van de Europese Commissie waarin overtredingen van het Unierechtelijk kartelverbod zijn vastgesteld. Deze overtredingen hadden betrekking op de vreemde valutamarkt (ook wel Forex of FX genoemd) ten aanzien van de zogenaamde G10-valuta’s en de Deense Kroon (DKK). De vorderingen richten zich tegen in het buitenland gevestigde geadresseerden van de besluiten (de buitenlandse banken) en de in Nederland gevestigde NatWest N.V., die geen geadresseerde is van de besluiten. FX Claims houdt NatWest N.V. aansprakelijk als onderdeel van de mededingingsrechtelijke NatWest onderneming en stelt dat NatWest N.V. gedurende de inbreukperiode(s) activiteiten verrichtte die verband hielden met de in de besluiten vastgestelde overtredingen.
In geschil is of de rechtbank Amsterdam, en nu dit hof, internationaal bevoegd is. De internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen van FX Claims moet worden bepaald aan de hand van het EVEX II en de bepalingen over rechtsmacht in art. 1-14 Rv. Dit hof acht de door hem aan het HvJEU op 19 september 2023 in zaak 200.292.171/01 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570, stroomkabels) gestelde vragen over de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis van belang voor de beoordeling of internationale bevoegdheid kan worden gegrond op art. 6 punt 1 EVEX II respectievelijk art. 7 lid 2 Rv. De zaak wordt aangehouden totdat deze vragen zijn beantwoord.
Procesverloop
FX Claims is bij dagvaarding van 28 juni 2023 met daarin de grieven in hoger beroep gekomen van een vonnis in incident van 29 maart 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen de FX Claims als eiseres, tevens verweerster in het bevoegdheidsincident en de banken als gedaagden en de buitenlandse banken als eiseressen in het bevoegdheidsincident.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memories van antwoord tevens memories van grieven in incidenteel appel van Natwest c.s., Barclays c.s., Citibank c.s., JP Morgan c.s., MUFG c.s. en UBS;
- memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 18 december 2023 aan de hand van spreekaantekeningen doen toelichten, FX Claims door mrs. B.J.H. Braeken, L.C.M. Berger, X.Y.G. Versteeg, S. Harenberg en T.C. Hieselaar, advocaten te Amsterdam, NatWest c.s. door mr. P.N. Malanczuk, advocaat te Rotterdam, en mr. A.J. Haasjes, advocaat te Amsterdam, Barclays c.s. door mrs. Chr. F. Kroes en S.H. Janssen, advocaten te Amsterdam, Citigroup c.s. door mrs. T.M. Sweerts en E.S. Nieuwendijk, advocaten te Amsterdam, JP Morgan c.s. door mrs. M.G. Bredenoord-Spoek, C.D.E. Scholte en D.J. van Hoogstraten, advocaten te Amsterdam, MUFG c.s. door mrs. P.L. Tjiam en E. van der Velden, advocaten te Amsterdam en UBS door mrs. R. Dufour en A.E.C. Wissink, advocaten te Den Haag.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over aanhouding in verband met door de Hoge Raad en dit hof recentelijk in soortgelijke zaken gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en mogelijk in deze zaak aan het HvJEU te stellen (aanvullende) vragen. Na de mondelinge behandeling hebben partijen zich daarover bij akten uitgelaten.
Ten slotte is arrest gevraagd.
FX Claims heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard en alsnog zal bepalen dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van alle vorderingen van FX Claims, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de banken in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
Natwest c.s., Barclays c.s., Citibank c.s., JP Morgan c.s., MUFG c.s. en UBS hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard en in incidenteel hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van FX Claims in de kosten van beide instanties, met nakosten en rente.
Natwest c.s. hebben ten aanzien van NatWest Markets in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van FX Claims in het hoger beroep.
FX Claims heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in dat hoger beroep bestreden, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de banken in de kosten.
Feiten
De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.15 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen in het bevoegdheidsincident. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
FX Claims is op 12 juli 2021 opgericht door een van oorsprong Amerikaans advocatenkantoor dat deze procedure financiert. FX Claims voert deze procedure als gevolmachtigde van 31 zakelijke partijen (hierna: de Achterliggende Partijen), waarvan er drie in Nederland zijn gevestigd, in Den Haag en Zeist.
3.2.
NatWest N.V. draagt sinds 30 april 2018 haar huidige naam. Zij is in 2007, als de toenmalige rechtspersoon ABN AMRO Bank N.V., in het kader van de overname van onderdelen van het toenmalige ABN AMRO (oud) onderdeel van het RBS (Royal Bank of Scotland)-concern geworden en haar naam is per 1 april 2010 veranderd in ‘The Royal Bank of Scotland N.V.’
NatWest Group, tot 22 juli 2020 genaamd The Royal Bank of Scotland Group plc, hield in de periode van 18 december 2007 tot 31 december 2010 indirect 38,3% van de aandelen in NatWest N.V. Vanaf 31 december 2010 hield NatWest Group indirect 97,717% van die aandelen. Sinds 30 november 2019 is NatWest N.V, niet langer een (indirecte) dochteronderneming van NatWest Group, maar van Natwest Markets. Hieronder is de situatie van in de periode 18 december 2007-12 juli 2012, zijnde de voor de NatWest geadresseerden geldende inbreukperiodes, weergegeven.
3.3.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft in twee schikkingbesluiten van 16 mei 2019 (Three Way Banana Split en Essex Express) en een schikkings- en regulier besluit van 2 december 2021 (Sterling Lads), allemaal met hetzelfde zaaknummer (AT.40135 FOREX) (hierna ook tezamen: de EC-besluiten) overtredingen van het in art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst neergelegde kartelverbod (hierna ook: het (Unierechtelijk) kartelverbod) vastgesteld met betrekking tot de vreemde valutamarkt (ook wel Forex of FX genoemd) ten aanzien van de zogenaamde G10-valuta’s en de Deense Kroon (DKK). De namen van de besluiten verwijzen naar chatrooms waarin handelaren concurrentiegevoelige informatie over de eigen FX-handelsactiviteiten uitwisselden en incidenteel handelsactiviteiten coördineerden. De EC-besluiten zijn gebaseerd op een onderzoek, dat zijn oorsprong vindt in het verzoek om clementie van UBS van 27 september 2013. In ieder van de EC-besluiten is één enkele voortdurende inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod vastgesteld die ten minste de Europese Economische Ruimte (EER) bestreek. In totaal is in de EC-besluiten ruim € 1,4 miljard aan boetes opgelegd.
3.4.
Het Three Way Banana Split-besluit ziet op de periode van 18 december 2007 tot
31 januari 2013. UBS, NatWest Group, NatWest Markets , Barclays Plc, Barclays Execution Services Limited en Barclays Bank Plc, Citibank, N.A., Citigroup Inc, J.P. Morgan Europe Limited, J.P. Morgan Limited, JP Morgan Chase Bank en JP Morgan Chase & Co. zijn geadresseerden van dit besluit. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken ondernemingen in mededingingsrechtelijke zin hebben deelgenomen aan de in dit besluit vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.5.
Het Essex Express-besluit ziet op de periode van 14 december 2009 tot 31 juli 2012. UBS, The Royal Bank of Scotland Group plc (met ingang van 22 juli 2020 genaamd NatWest Group ), NatWest Markets, Barclays Plc, Barclays Execution Services Limited, Barclays Capital Inc en Barclays Bank Plc., Mitsubishi UFJ Financial Group Inc. en MUFG Bank Ltd. zijn geadresseerden van dit besluit. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken mededingingsrechtelijke ondernemingen hebben deelgenomen aan de in dit besluit vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.6.
De Sterling Lads-besluiten zien op de periode van 25 mei 2011 tot 12 juli 2012. UBS, NatWest Group , NatWest Markets, HSBC Holdings Plc, HSBC Bank Plc. (hierna tezamen: HSBC) en Credit Suisse Group AG, Credit Suisse Securities (Europe) Limited en Credit Suisse AG (hierna gezamenlijk: Credit Suisse) zijn geadresseerden van deze besluiten. Afgezien van de Credit Suisse entiteiten hebben adressanten van deze besluiten schikkingen getroffen. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken mededingingsrechtelijke ondernemingen hebben deelgenomen aan de in deze besluiten vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.7.
In de EC-besluiten is vastgesteld dat bepaalde traders die werkzaam waren bij (thans) NatWest Markets hebben deelgenomen aan de inbreukmakende gedragingen. NatWest Group is in haar hoedanigheid van moedermaatschappij aansprakelijk gehouden.
NatWest N.V. is geen geadresseerde van de EC-besluiten.
Beoordeling
4.1.
FX Claims heeft als gevolmachtigde van de Achterliggende Partijen ‘follow-on’ vorderingen ingesteld naar aanleiding van de EC-besluiten die ertoe strekken dat:
voor recht zal worden verklaard dat de banken hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de Achterliggende Partijen als gevolg van de in de EC-Besluiten vastgestelde onrechtmatige kartelgedragingen, waarbij de banken die geadresseerden zijn van de Sterling Lads besluiten ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in die besluiten beschreven gedragingen van HSBC en Credit Suisse;
de banken, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat,
een en ander met veroordeling van de banken in de buitengerechtelijke en proceskosten en met afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 van verordening (EU) Nr. 1215/2012 (Verordening Brussel I-bis).
4.2.
FX Claims legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar in rechte betrokken geadresseerden van de EC-besluiten jegens de Achterliggende Partijen uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de in de EC-besluiten vastgestelde inbreuk(en) op het Unierechtelijk kartelverbod. NatWest N.V., die geen geadresseerde is van de EC-besluiten, wordt door FX Claims onder verwijzing naar het arrest Sumal, HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19 ECLI:EU:C:2021:800, hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor deze schade, als entiteit die deel uitmaakt van de mededingingsrechtelijke onderneming waartoe de NatWest-geadresseerden behoren. FX Claims stelt voorts dat NatWest N.V. gedurende de inbreukperiode(s) activiteiten verrichtte die verband hielden met de in de EC-besluiten vastgestelde overtredingen omdat zij toen beschikte over FX handelsdesks en (later) over FX verkoopdesks.
4.3.
Het bestreden vonnis is gewezen in een door de buitenlandse banken opgeworpen bevoegdheidsincident. De rechtbank heeft zich bevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van alle Achterliggende Partijen tegen NatWest N.V. en de vorderingen van de in Nederland gevestigde Achterliggende Partijen tegen de buitenlandse banken. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van de buiten Nederland gevestigde Achterliggende Partijen tegen de buitenlandse banken. De grieven van FX Claims en van de banken richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
4.4.
Naar Nederlands recht is de rechtsmacht van openbare orde. Ook in hoger beroep moet deze ambtshalve worden getoetst, in de zaak tegen UBS aan de hand van het EVEX II (PbEU 2007, L 339/3) en in de zaken tegen de andere buitenlandse gedaagden aan de hand van de in de artt. 1-14 Rv neergelegde Nederlandse commune bevoegdheidsregels.
4.5.
De rechtbank Amsterdam is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen NatWest N.V. die is verschenen zonder de bevoegdheid van deze rechtbank te betwisten.
4.6.
Art. 6 punt 1 EVEX II bevat een bijzondere bevoegdheidsregel die inhoudt dat, indien er meer dan één verweerder is, een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner (de ankergedaagde), “op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”. Deze bepaling is gelijkluidend aan art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Art. 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van een van de gedaagden (de ankergedaagde), hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden “een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.”
4.7.
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artt. 1-14 Rv heeft de wetgever expliciet aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Verordening Brussel I-bis en het EVEX II (vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1). Bij de uitleg van de commune regels voor rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. Zie HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3.
4.7.1
Art. 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) art. 8, lid 1, Verordening Brussel I-bis/de (voorloper van) art. 6 punt 1 EVEX II (verg. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108). De wetgeschiedenis van art. 7 lid 1 Rv bevat geen aanknopingspunten op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het aannemelijk is dat de wetgever met de maatstaf in art. 7 lid 1 Rv heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis door het HvJEG/HvJEU. Integendeel, bij het redigeren van art. 7 lid 1 Rv heeft de wetgever rekening gehouden met het arrest Kalfelis van het (toenmalige) HvJEG van 27 september 1988, nr. 189/87, ECLI:EU:C:1988:459 (verg. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108). Uit dit arrest volgt dat voor toepassing van de toen toepasselijke voorloper van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis (art. 6 punt 1 EEX-Verdrag (PB 1979, C 59)) tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband moet bestaan, dat het van belang is ze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven. Deze voorwaarde van een nauwe band, die niet was opgenomen in art. 6 punt 1 EEX Verdrag (dat toen bepaalde: ‘Deze verweerder kan ook worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner;’), is thans opgenomen in art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis en is nader uitgewerkt in de rechtspraak van het HvJEG/HvJEU.
4.7.2
Gezien het voorgaande moet bij de uitleg en toepassing van art. 7 lid 1 Rv de rechtspraak van het HvJEG/HvJEU over de uitleg en toepassing van (de voorlopers van) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis tot richtsnoer worden genomen. Het zeer beperkte tekstuele verschil tussen beide bepalingen en het verschil in reikwijdte van beide regelingen – Verordening Brussel I-bis regelt niet alleen de internationale bevoegdheid maar ook erkenning – staat daar niet aan in de weg. De rechtszekerheid, die van bijzonder belang is bij bevoegdheidsregels, evenmin; in tegendeel, die wordt daardoor juist gediend. Het HvJ EU vat overigens de maatstaf van (de voorlopers van) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis ook samen als ‘een geschikte en toereikende samenhang’ (zie arrest Freeport van het HvJ EG van 11 oktober 2007, nr. C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, punt 29).
4.8.
Bij beantwoording van de vraag of de in art. 6 punt 1 EVEX II bedoelde nauwe band bestaat respectievelijk of sprake is van samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv zal het hof dan ook aansluiting zoeken bij de rechtspraak van het HvJEU met betrekking tot art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis en de voorlopers van deze bepaling, art. 6 aanhef en onder 1 van het EEX-Verdrag (PB 1979, C 59) en art. 6 lid 1 Verordening (EG) nr. 44/2001 (Verordening Brussel I).
Dictum
Het hof:
5.1.
houdt de zaak aan tot 17 juni 2025 of een zoveel eerder of later gelegen roldatum nadat het HvJEU de door dit hof op 19 september 2023 in zaak 200.292.171/01 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570, stroomkabels) gestelde vragen heeft beantwoord, waarna de zaak door het hof op de rol zal worden gezet voor gelijktijdige uitlating door partijen hieromtrent;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.329.379/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C13/718639 / HA ZA 22-460
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2024
inzake
STICHTING FX CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken te Amsterdam,
tegen
1NATWEST MARKETS N.V..
gevestigd te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
2. NATWEST GROUP PLC,
gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
3. NATWEST MARKETS PLC,
gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. P.N. Malanczuk te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
4. BARCLAYS PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
5. BARCLAYS EXECUTION SERVICES LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
6. BARCLAYS BANK PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
7. BARCLAYS CAPITAL INC.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. Chr. F. Kroes te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
8. CITIBANK, N.A.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
9. CITIGROUP INC.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
10. JPMORGAN CHASE & CO.,
gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
11. JPMORGAN CHASE BANK, N.A.,
gevestigd te Columbus, Verenigde Staten van Amerika,
12. J.P. MORGAN EUROPE LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
13. J.P. MORGAN LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. J.K. de Pree te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht
14. MUFG BANK, LTD.,
gevestigd te Tokio, Japan,
15. MITSUBISHI UFJ FINANCIAL GROUP INC.,
gevestigd te Tokio, Japan,
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. P.L. Tjiam te Amsterdam,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht
UBS AG,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellanten,
advocaat mr. R. Dufour te ‘s-Gravenhage,
Appellante wordt hierna FX Claims genoemd. Geïntimeerden tezamen worden aangeduid als de banken en geïntimeerden 2 tot en met 16 tezamen als de buitenlandse banken. Geïntimeerden 1 tot en met 3 worden ieder voor zich aangeduid als NatWest N.V., NatWest Group, NatWest Markets en tezamen als NatWest c.s. Geïntimeerden 4 tot en met 7 tezamen worden aangeduid als Barclays c.s., geïntimeerden 8 en 9 als Citibank c.s., geïntimeerden 10 tot en met 13 als JP Morgan c.s. en geïntimeerden als 14 en 15 MUFG c.s. Geïntimeerde 16 wordt UBS genoemd.
1De zaak in het kort
FX Claims heeft als gevolmachtigde van 31 zakelijke partijen follow-on vorderingen ingesteld naar aanleiding van besluiten van de Europese Commissie waarin overtredingen van het Unierechtelijk kartelverbod zijn vastgesteld. Deze overtredingen hadden betrekking op de vreemde valutamarkt (ook wel Forex of FX genoemd) ten aanzien van de zogenaamde G10-valuta’s en de Deense Kroon (DKK). De vorderingen richten zich tegen in het buitenland gevestigde geadresseerden van de besluiten (de buitenlandse banken) en de in Nederland gevestigde NatWest N.V., die geen geadresseerde is van de besluiten. FX Claims houdt NatWest N.V. aansprakelijk als onderdeel van de mededingingsrechtelijke NatWest onderneming en stelt dat NatWest N.V. gedurende de inbreukperiode(s) activiteiten verrichtte die verband hielden met de in de besluiten vastgestelde overtredingen.
In geschil is of de rechtbank Amsterdam, en nu dit hof, internationaal bevoegd is. De internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen van FX Claims moet worden bepaald aan de hand van het EVEX II en de bepalingen over rechtsmacht in art. 1-14 Rv. Dit hof acht de door hem aan het HvJEU op 19 september 2023 in zaak 200.292.171/01 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570, stroomkabels) gestelde vragen over de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis van belang voor de beoordeling of internationale bevoegdheid kan worden gegrond op art. 6 punt 1 EVEX II respectievelijk art. 7 lid 2 Rv. De zaak wordt aangehouden totdat deze vragen zijn beantwoord.
Procesverloop
FX Claims is bij dagvaarding van 28 juni 2023 met daarin de grieven in hoger beroep gekomen van een vonnis in incident van 29 maart 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen de FX Claims als eiseres, tevens verweerster in het bevoegdheidsincident en de banken als gedaagden en de buitenlandse banken als eiseressen in het bevoegdheidsincident.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memories van antwoord tevens memories van grieven in incidenteel appel van Natwest c.s., Barclays c.s., Citibank c.s., JP Morgan c.s., MUFG c.s. en UBS;
- memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 18 december 2023 aan de hand van spreekaantekeningen doen toelichten, FX Claims door mrs. B.J.H. Braeken, L.C.M. Berger, X.Y.G. Versteeg, S. Harenberg en T.C. Hieselaar, advocaten te Amsterdam, NatWest c.s. door mr. P.N. Malanczuk, advocaat te Rotterdam, en mr. A.J. Haasjes, advocaat te Amsterdam, Barclays c.s. door mrs. Chr. F. Kroes en S.H. Janssen, advocaten te Amsterdam, Citigroup c.s. door mrs. T.M. Sweerts en E.S. Nieuwendijk, advocaten te Amsterdam, JP Morgan c.s. door mrs. M.G. Bredenoord-Spoek, C.D.E. Scholte en D.J. van Hoogstraten, advocaten te Amsterdam, MUFG c.s. door mrs. P.L. Tjiam en E. van der Velden, advocaten te Amsterdam en UBS door mrs. R. Dufour en A.E.C. Wissink, advocaten te Den Haag.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over aanhouding in verband met door de Hoge Raad en dit hof recentelijk in soortgelijke zaken gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en mogelijk in deze zaak aan het HvJEU te stellen (aanvullende) vragen. Na de mondelinge behandeling hebben partijen zich daarover bij akten uitgelaten.
Ten slotte is arrest gevraagd.
FX Claims heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard en alsnog zal bepalen dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van alle vorderingen van FX Claims, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de banken in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
Natwest c.s., Barclays c.s., Citibank c.s., JP Morgan c.s., MUFG c.s. en UBS hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard en in incidenteel hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover de rechtbank zich bevoegd heeft verklaard, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van FX Claims in de kosten van beide instanties, met nakosten en rente.
Natwest c.s. hebben ten aanzien van NatWest Markets in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van FX Claims in het hoger beroep.
FX Claims heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover in dat hoger beroep bestreden, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de banken in de kosten.
Feiten
De rechtbank heeft in 3.1 tot en met 3.15 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen in het bevoegdheidsincident. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
FX Claims is op 12 juli 2021 opgericht door een van oorsprong Amerikaans advocatenkantoor dat deze procedure financiert. FX Claims voert deze procedure als gevolmachtigde van 31 zakelijke partijen (hierna: de Achterliggende Partijen), waarvan er drie in Nederland zijn gevestigd, in Den Haag en Zeist.
3.2.
NatWest N.V. draagt sinds 30 april 2018 haar huidige naam. Zij is in 2007, als de toenmalige rechtspersoon ABN AMRO Bank N.V., in het kader van de overname van onderdelen van het toenmalige ABN AMRO (oud) onderdeel van het RBS (Royal Bank of Scotland)-concern geworden en haar naam is per 1 april 2010 veranderd in ‘The Royal Bank of Scotland N.V.’
NatWest Group, tot 22 juli 2020 genaamd The Royal Bank of Scotland Group plc, hield in de periode van 18 december 2007 tot 31 december 2010 indirect 38,3% van de aandelen in NatWest N.V. Vanaf 31 december 2010 hield NatWest Group indirect 97,717% van die aandelen. Sinds 30 november 2019 is NatWest N.V, niet langer een (indirecte) dochteronderneming van NatWest Group, maar van Natwest Markets. Hieronder is de situatie van in de periode 18 december 2007-12 juli 2012, zijnde de voor de NatWest geadresseerden geldende inbreukperiodes, weergegeven.
3.3.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft in twee schikkingbesluiten van 16 mei 2019 (Three Way Banana Split en Essex Express) en een schikkings- en regulier besluit van 2 december 2021 (Sterling Lads), allemaal met hetzelfde zaaknummer (AT.40135 FOREX) (hierna ook tezamen: de EC-besluiten) overtredingen van het in art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst neergelegde kartelverbod (hierna ook: het (Unierechtelijk) kartelverbod) vastgesteld met betrekking tot de vreemde valutamarkt (ook wel Forex of FX genoemd) ten aanzien van de zogenaamde G10-valuta’s en de Deense Kroon (DKK). De namen van de besluiten verwijzen naar chatrooms waarin handelaren concurrentiegevoelige informatie over de eigen FX-handelsactiviteiten uitwisselden en incidenteel handelsactiviteiten coördineerden. De EC-besluiten zijn gebaseerd op een onderzoek, dat zijn oorsprong vindt in het verzoek om clementie van UBS van 27 september 2013. In ieder van de EC-besluiten is één enkele voortdurende inbreuk op het Unierechtelijk kartelverbod vastgesteld die ten minste de Europese Economische Ruimte (EER) bestreek. In totaal is in de EC-besluiten ruim € 1,4 miljard aan boetes opgelegd.
3.4.
Het Three Way Banana Split-besluit ziet op de periode van 18 december 2007 tot
31 januari 2013. UBS, NatWest Group, NatWest Markets , Barclays Plc, Barclays Execution Services Limited en Barclays Bank Plc, Citibank, N.A., Citigroup Inc, J.P. Morgan Europe Limited, J.P. Morgan Limited, JP Morgan Chase Bank en JP Morgan Chase & Co. zijn geadresseerden van dit besluit. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken ondernemingen in mededingingsrechtelijke zin hebben deelgenomen aan de in dit besluit vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.5.
Het Essex Express-besluit ziet op de periode van 14 december 2009 tot 31 juli 2012. UBS, The Royal Bank of Scotland Group plc (met ingang van 22 juli 2020 genaamd NatWest Group ), NatWest Markets, Barclays Plc, Barclays Execution Services Limited, Barclays Capital Inc en Barclays Bank Plc., Mitsubishi UFJ Financial Group Inc. en MUFG Bank Ltd. zijn geadresseerden van dit besluit. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken mededingingsrechtelijke ondernemingen hebben deelgenomen aan de in dit besluit vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.6.
De Sterling Lads-besluiten zien op de periode van 25 mei 2011 tot 12 juli 2012. UBS, NatWest Group , NatWest Markets, HSBC Holdings Plc, HSBC Bank Plc. (hierna tezamen: HSBC) en Credit Suisse Group AG, Credit Suisse Securities (Europe) Limited en Credit Suisse AG (hierna gezamenlijk: Credit Suisse) zijn geadresseerden van deze besluiten. Afgezien van de Credit Suisse entiteiten hebben adressanten van deze besluiten schikkingen getroffen. Hieronder zijn de periodes weergegeven waarin de betrokken mededingingsrechtelijke ondernemingen hebben deelgenomen aan de in deze besluiten vastgestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod:
3.7.
In de EC-besluiten is vastgesteld dat bepaalde traders die werkzaam waren bij (thans) NatWest Markets hebben deelgenomen aan de inbreukmakende gedragingen. NatWest Group is in haar hoedanigheid van moedermaatschappij aansprakelijk gehouden.
NatWest N.V. is geen geadresseerde van de EC-besluiten.
Beoordeling
4.1.
FX Claims heeft als gevolmachtigde van de Achterliggende Partijen ‘follow-on’ vorderingen ingesteld naar aanleiding van de EC-besluiten die ertoe strekken dat:
voor recht zal worden verklaard dat de banken hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de Achterliggende Partijen als gevolg van de in de EC-Besluiten vastgestelde onrechtmatige kartelgedragingen, waarbij de banken die geadresseerden zijn van de Sterling Lads besluiten ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in die besluiten beschreven gedragingen van HSBC en Credit Suisse;
de banken, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat,
een en ander met veroordeling van de banken in de buitengerechtelijke en proceskosten en met afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 van verordening (EU) Nr. 1215/2012 (Verordening Brussel I-bis).
4.2.
FX Claims legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar in rechte betrokken geadresseerden van de EC-besluiten jegens de Achterliggende Partijen uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de in de EC-besluiten vastgestelde inbreuk(en) op het Unierechtelijk kartelverbod. NatWest N.V., die geen geadresseerde is van de EC-besluiten, wordt door FX Claims onder verwijzing naar het arrest Sumal, HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19 ECLI:EU:C:2021:800, hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor deze schade, als entiteit die deel uitmaakt van de mededingingsrechtelijke onderneming waartoe de NatWest-geadresseerden behoren. FX Claims stelt voorts dat NatWest N.V. gedurende de inbreukperiode(s) activiteiten verrichtte die verband hielden met de in de EC-besluiten vastgestelde overtredingen omdat zij toen beschikte over FX handelsdesks en (later) over FX verkoopdesks.
4.3.
Het bestreden vonnis is gewezen in een door de buitenlandse banken opgeworpen bevoegdheidsincident. De rechtbank heeft zich bevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van alle Achterliggende Partijen tegen NatWest N.V. en de vorderingen van de in Nederland gevestigde Achterliggende Partijen tegen de buitenlandse banken. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van de buiten Nederland gevestigde Achterliggende Partijen tegen de buitenlandse banken. De grieven van FX Claims en van de banken richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
4.4.
Naar Nederlands recht is de rechtsmacht van openbare orde. Ook in hoger beroep moet deze ambtshalve worden getoetst, in de zaak tegen UBS aan de hand van het EVEX II (PbEU 2007, L 339/3) en in de zaken tegen de andere buitenlandse gedaagden aan de hand van de in de artt. 1-14 Rv neergelegde Nederlandse commune bevoegdheidsregels.
4.5.
De rechtbank Amsterdam is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen NatWest N.V. die is verschenen zonder de bevoegdheid van deze rechtbank te betwisten.
4.6.
Art. 6 punt 1 EVEX II bevat een bijzondere bevoegdheidsregel die inhoudt dat, indien er meer dan één verweerder is, een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een hunner (de ankergedaagde), “op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”. Deze bepaling is gelijkluidend aan art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Art. 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van een van de gedaagden (de ankergedaagde), hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden “een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.”
4.7.
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artt. 1-14 Rv heeft de wetgever expliciet aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Verordening Brussel I-bis en het EVEX II (vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1). Bij de uitleg van de commune regels voor rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. Zie HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3.
4.7.1
Art. 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) art. 8, lid 1, Verordening Brussel I-bis/de (voorloper van) art. 6 punt 1 EVEX II (verg. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108). De wetgeschiedenis van art. 7 lid 1 Rv bevat geen aanknopingspunten op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het aannemelijk is dat de wetgever met de maatstaf in art. 7 lid 1 Rv heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis door het HvJEG/HvJEU. Integendeel, bij het redigeren van art. 7 lid 1 Rv heeft de wetgever rekening gehouden met het arrest Kalfelis van het (toenmalige) HvJEG van 27 september 1988, nr. 189/87, ECLI:EU:C:1988:459 (verg. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108). Uit dit arrest volgt dat voor toepassing van de toen toepasselijke voorloper van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis (art. 6 punt 1 EEX-Verdrag (PB 1979, C 59)) tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband moet bestaan, dat het van belang is ze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven. Deze voorwaarde van een nauwe band, die niet was opgenomen in art. 6 punt 1 EEX Verdrag (dat toen bepaalde: ‘Deze verweerder kan ook worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner;’), is thans opgenomen in art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis en is nader uitgewerkt in de rechtspraak van het HvJEG/HvJEU.
4.7.2
Gezien het voorgaande moet bij de uitleg en toepassing van art. 7 lid 1 Rv de rechtspraak van het HvJEG/HvJEU over de uitleg en toepassing van (de voorlopers van) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis tot richtsnoer worden genomen. Het zeer beperkte tekstuele verschil tussen beide bepalingen en het verschil in reikwijdte van beide regelingen – Verordening Brussel I-bis regelt niet alleen de internationale bevoegdheid maar ook erkenning – staat daar niet aan in de weg. De rechtszekerheid, die van bijzonder belang is bij bevoegdheidsregels, evenmin; in tegendeel, die wordt daardoor juist gediend. Het HvJ EU vat overigens de maatstaf van (de voorlopers van) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis ook samen als ‘een geschikte en toereikende samenhang’ (zie arrest Freeport van het HvJ EG van 11 oktober 2007, nr. C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, punt 29).
4.8.
Bij beantwoording van de vraag of de in art. 6 punt 1 EVEX II bedoelde nauwe band bestaat respectievelijk of sprake is van samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv zal het hof dan ook aansluiting zoeken bij de rechtspraak van het HvJEU met betrekking tot art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis en de voorlopers van deze bepaling, art. 6 aanhef en onder 1 van het EEX-Verdrag (PB 1979, C 59) en art. 6 lid 1 Verordening (EG) nr. 44/2001 (Verordening Brussel I).
Dictum
Het hof:
5.1.
houdt de zaak aan tot 17 juni 2025 of een zoveel eerder of later gelegen roldatum nadat het HvJEU de door dit hof op 19 september 2023 in zaak 200.292.171/01 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570, stroomkabels) gestelde vragen heeft beantwoord, waarna de zaak door het hof op de rol zal worden gezet voor gelijktijdige uitlating door partijen hieromtrent;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W.M. Tromp en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.