Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-06-04
ECLI:NL:GHAMS:2024:1542
Strafrecht
Raadkamer
2,552 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000961-23 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/017408-22
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1972,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. L.C. Fleskens,
Verrijn Stuartweg 1, 1112 AW Diemen.
Procesverloop
Het hoger beroep is op 21 juli 2022 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 17 april 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 23 april 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 513,04;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en daartoe gemotiveerd dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek omdat het Openbaar Ministerie voortvarend te werk is gegaan.
Het hof stelt vast dat onder appellant op 20 januari 2022 beslag is gelegd op een mobiele telefoon en een geldbedrag van € 5.120,00. Namens appellant is op 27 januari 2022 een klaagschrift ingediend met het verzoek tot teruggave van de telefoon en het geld.
De artikelen 552a, derde en vierde lid Sv luiden voor zover van belang:
Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd.
Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk (…) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (…) is geschied (…).
Nu in de wet is bepaald dat de indiening van het klaagschrift zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming dient plaats te vinden en namens appellant hiernaar is gehandeld, ziet het hof gronden van billijkheid voor toewijzing van het verzoek. Dat het Openbaar Ministerie (vervolgens) voortvarend te werk is gegaan doet hieraan niets af.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 513,04
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,00.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 1.533,04 (duizend vijfhonderddrieëndertig euro en vier cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, P.F.E. Geerlings en P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 juni 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.533,04 (duizend vijfhonderddrieëndertig euro en vier cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 4 juni 2024,
mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000961-23 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/017408-22
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1972,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. L.C. Fleskens,
Verrijn Stuartweg 1, 1112 AW Diemen.
Procesverloop
Het hoger beroep is op 21 juli 2022 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 17 april 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 23 april 2024 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2Inhoud van het verzoek
Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 513,04;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en daartoe gemotiveerd dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek omdat het Openbaar Ministerie voortvarend te werk is gegaan.
Het hof stelt vast dat onder appellant op 20 januari 2022 beslag is gelegd op een mobiele telefoon en een geldbedrag van € 5.120,00. Namens appellant is op 27 januari 2022 een klaagschrift ingediend met het verzoek tot teruggave van de telefoon en het geld.
De artikelen 552a, derde en vierde lid Sv luiden voor zover van belang:
Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd.
Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk (…) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (…) is geschied (…).
Nu in de wet is bepaald dat de indiening van het klaagschrift zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming dient plaats te vinden en namens appellant hiernaar is gehandeld, ziet het hof gronden van billijkheid voor toewijzing van het verzoek. Dat het Openbaar Ministerie (vervolgens) voortvarend te werk is gegaan doet hieraan niets af.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 513,04
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,00.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 1.533,04 (duizend vijfhonderddrieëndertig euro en vier cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, P.F.E. Geerlings en P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 juni 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.533,04 (duizend vijfhonderddrieëndertig euro en vier cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [tnv] o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 4 juni 2024,
mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.