Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-05-24
ECLI:NL:GHAMS:2024:1470
Strafrecht
Hoger beroep
4,706 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002009-22
datum uitspraak: 24 mei 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 27 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 81-054585-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
24 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2021, te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, heeft gehandeld in strijd met (een) bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift(en) van (een) EU-verordening(en) te weten artikel 4, lid 1 en/of 2 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten;
2,268 kilogram Karkovlees (slakkenvlees), Latijnse benaming Strombus gigas, Familie Strombidea, Orde Mesogastro poda, en/of
2,800 kilogram vlees van de groene Leguaan, Latijnse benaming Iguana Iguana spp., Familie Iguanidea, Orde Sauria, in de Gemeenschap binnen te brengen (strafbaarstelling: artikel 3.37, lid 1 van de Wet natuurbescherming jo 3.14 van de Regeling natuurbescherming jo artikel 4 van de Basisverordening EG nr. 338/97, artikel 1a, 2 en 6 WED).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de economische politierechter.
Geldigheid dagvaarding
De raadsvrouw heeft betoogd dat de dagvaarding nietig is nu het tenlastegelegde is gegrond op het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming juncto het bepaalde in artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming. Nu beide regelingen per 1 januari 2024 zijn vervallen, is de dagvaarding nietig.
Het hof overweegt dat een wijziging van wettelijke strafbepalingen in beginsel niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding. In zoverre wordt het verweer verworpen.
Overtreding van het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming juncto artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming (beide vervallen) is thans strafbaar gesteld in artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, juncto artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Uit de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 34 985 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet, volgt dat de natuurwetgeving is overgegaan naar de Omgevingswet en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, “zonder beleidsinhoudelijke wijzigingen. Ter zake gelden geen gewijzigde inzichten.” (Kamerstukken II 2017/18, 34 985 nr. 3, p. 95).
De Omgevingswet bevat voor zover hier van belang geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Natuurbeschermingswet en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd is in gunstiger zin voor de verdachte, dient het tenlastegelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht.
Bewijsoverweging
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 13 februari 2021 op Schiphol 2,268 kilogram karkovlees (slakkenvlees) en 2,800 kilogram groene leguanenvlees heeft ingevoerd. Dit heeft de verdachte op de zitting in hoger beroep van 25 april 2024 bekend. Op grond van de CITES-Basisverordening is de invoer van dergelijke vleessoorten enkel toegestaan wanneer hiervoor een invoervergunning is afgegeven. De verdachte beschikte niet over een dergelijke vergunning.
Het hof stelt vast dat de verdachte het slakken- en leguanenvlees opzettelijk heeft ingevoerd. Dat de verdachte niet wist dat hij een strafbaar feit beging maakt dit niet anders. Bij overtredingen van de Wet op de economische delicten geldt voor het opzetvereiste immers dat sprake dient te zijn van kleurloos opzet; de dader hoeft geen wetenschap of bedoeling te hebben gehad van de overtreding van de wet. De opzet op de gedraging (te weten het invoeren van het karko- en leguanenvlees) is voldoende.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 februari 2021, te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, heeft gehandeld in strijd met een bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift van een EU-verordening te weten artikel 4, lid 2 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten;
2,268 kilogram Karkovlees (slakkenvlees), Latijnse benaming Strombus gigas, Familie Strombidea, Orde Mesogastro poda, en
2,800 kilogram vlees van de groene Leguaan, Latijnse benaming Iguana Iguana spp., Familie Iguanidea, Orde Sauria, in de Gemeenschap binnen te brengen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de overtreding op 13 februari 2021 door de verdachte van de destijds vigerende wet en regeling natuurbescherming, thans geen strafbaar feit meer is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, vindt dit standpunt, gelet op het vorenoverwogene onder ‘Geldigheid dagvaarding’, geen steun in het recht.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid en heeft hiertoe aangevoerd dat gelet op de verstandelijke vermogens van de verdachte hij niet heeft kunnen begrijpen dat wat hij heeft gedaan, strafbaar is.
Het hof stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. B.E. Dijkers en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 mei 2024.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002009-22
datum uitspraak: 24 mei 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 27 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 81-054585-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
24 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2021, te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, heeft gehandeld in strijd met (een) bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift(en) van (een) EU-verordening(en) te weten artikel 4, lid 1 en/of 2 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, al dan niet opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten;
2,268 kilogram Karkovlees (slakkenvlees), Latijnse benaming Strombus gigas, Familie Strombidea, Orde Mesogastro poda, en/of
2,800 kilogram vlees van de groene Leguaan, Latijnse benaming Iguana Iguana spp., Familie Iguanidea, Orde Sauria, in de Gemeenschap binnen te brengen (strafbaarstelling: artikel 3.37, lid 1 van de Wet natuurbescherming jo 3.14 van de Regeling natuurbescherming jo artikel 4 van de Basisverordening EG nr. 338/97, artikel 1a, 2 en 6 WED).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de economische politierechter.
Geldigheid dagvaarding
De raadsvrouw heeft betoogd dat de dagvaarding nietig is nu het tenlastegelegde is gegrond op het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming juncto het bepaalde in artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming. Nu beide regelingen per 1 januari 2024 zijn vervallen, is de dagvaarding nietig.
Het hof overweegt dat een wijziging van wettelijke strafbepalingen in beginsel niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding. In zoverre wordt het verweer verworpen.
Overtreding van het bepaalde in artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming juncto artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming (beide vervallen) is thans strafbaar gesteld in artikel 4.3, tweede lid, aanhef en onder a Omgevingswet en artikel 11.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving, juncto artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Uit de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 34 985 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet, volgt dat de natuurwetgeving is overgegaan naar de Omgevingswet en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, “zonder beleidsinhoudelijke wijzigingen. Ter zake gelden geen gewijzigde inzichten.” (Kamerstukken II 2017/18, 34 985 nr. 3, p. 95).
De Omgevingswet bevat voor zover hier van belang geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Natuurbeschermingswet en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd is in gunstiger zin voor de verdachte, dient het tenlastegelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht.
Bewijsoverweging
Uit het dossier volgt dat de verdachte op 13 februari 2021 op Schiphol 2,268 kilogram karkovlees (slakkenvlees) en 2,800 kilogram groene leguanenvlees heeft ingevoerd. Dit heeft de verdachte op de zitting in hoger beroep van 25 april 2024 bekend. Op grond van de CITES-Basisverordening is de invoer van dergelijke vleessoorten enkel toegestaan wanneer hiervoor een invoervergunning is afgegeven. De verdachte beschikte niet over een dergelijke vergunning.
Het hof stelt vast dat de verdachte het slakken- en leguanenvlees opzettelijk heeft ingevoerd. Dat de verdachte niet wist dat hij een strafbaar feit beging maakt dit niet anders. Bij overtredingen van de Wet op de economische delicten geldt voor het opzetvereiste immers dat sprake dient te zijn van kleurloos opzet; de dader hoeft geen wetenschap of bedoeling te hebben gehad van de overtreding van de wet. De opzet op de gedraging (te weten het invoeren van het karko- en leguanenvlees) is voldoende.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 februari 2021, te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, heeft gehandeld in strijd met een bij de Regeling natuurbescherming aangewezen voorschrift van een EU-verordening te weten artikel 4, lid 2 van de Basisverordening (EG) nr. 338/97 door, opzettelijk, specimen van de in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten, te weten;
2,268 kilogram Karkovlees (slakkenvlees), Latijnse benaming Strombus gigas, Familie Strombidea, Orde Mesogastro poda, en
2,800 kilogram vlees van de groene Leguaan, Latijnse benaming Iguana Iguana spp., Familie Iguanidea, Orde Sauria, in de Gemeenschap binnen te brengen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de overtreding op 13 februari 2021 door de verdachte van de destijds vigerende wet en regeling natuurbescherming, thans geen strafbaar feit meer is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, vindt dit standpunt, gelet op het vorenoverwogene onder ‘Geldigheid dagvaarding’, geen steun in het recht.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid en heeft hiertoe aangevoerd dat gelet op de verstandelijke vermogens van de verdachte hij niet heeft kunnen begrijpen dat wat hij heeft gedaan, strafbaar is.
Het hof stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. B.E. Dijkers en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 mei 2024.