Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-05-22
ECLI:NL:GHAMS:2024:1409
Strafrecht
Hoger beroep
2,554 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000213-24
datum uitspraak: 22 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-013250-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
thans gedetineerd in [detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging vervangt door de navolgende inhoud.
Bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle drie de feiten. Voor feit 2 ziet de raadsman te weinig bewijs, gezien het ontbreken van een aangifte. Voorts heeft hij ten aanzien van feit 1 en 2 aangevoerd dat geen sprake was van een begin van uitvoering. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde feiten, waardoor hij niet als medepleger aangemerkt kan worden.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde poging
Het ontbreken van een aangifte en het feit dat de vrouw genoemd in feit 2 onbekend is gebleven, staat op zich aan een bewezenverklaring daarvan niet in de weg, gezien de waarnemingen van de verbalisanten.
Uit het dossier blijkt dat de verdachten in korte tijd een grotendeels zelfde modus operandi hebben gebruikt bij 3 verschillende slachtoffers. De in het dossier beschreven gedragingen van de verdachten, waaronder het uitkiezen van het beoogde slachtoffer, het knikken en seinen naar elkaar, het trekken van de aandacht door de ene verdachte, het proberen spullen weg te nemen door de ander verdachte, dienen naar oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvormen te worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van de diefstallen.
Uit de gedragingen van de verdachten zoals tenlastegelegd onder feit 3 blijkt wat de eerstvolgende stap zou zijn geweest als de beoogde slachtoffers zich niet hadden omgedraaid. Hierbij is namelijk door de verdachte daadwerkelijk een stapeltje papier uit de jaszak weggenomen en vervolgens weer terug gestopt in de zak van het slachtoffer. Met deze handeling was er sprake van een voltooide poging.
Dit bezien in relatie tot de feiten 1 en 2 sterkt het hof in de overtuiging dat ook bij deze feiten sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het verweer van de raadsman ertoe strekkende dat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering wordt daarom verworpen.
Ten aanzien van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde medeplegen
De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte hebben onder andere bestaan uit het seinen naar elkaar en het door de verdachte afleiden van het slachtoffer terwijl de medeverdachte dicht achter het slachtoffer ging staan. Dit maakt dat sprake is van een duidelijke rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen een bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde pogingen tot diefstal, waardoor sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande acht het hof alle drie de tenlastegelegde pogingen tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. N. van der Wijngaart, en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2024.
Mr. A.M. Kengen en mr. C. Laukens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000213-24
datum uitspraak: 22 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-013250-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
thans gedetineerd in [detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging vervangt door de navolgende inhoud.
Bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle drie de feiten. Voor feit 2 ziet de raadsman te weinig bewijs, gezien het ontbreken van een aangifte. Voorts heeft hij ten aanzien van feit 1 en 2 aangevoerd dat geen sprake was van een begin van uitvoering. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde feiten, waardoor hij niet als medepleger aangemerkt kan worden.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde poging
Het ontbreken van een aangifte en het feit dat de vrouw genoemd in feit 2 onbekend is gebleven, staat op zich aan een bewezenverklaring daarvan niet in de weg, gezien de waarnemingen van de verbalisanten.
Uit het dossier blijkt dat de verdachten in korte tijd een grotendeels zelfde modus operandi hebben gebruikt bij 3 verschillende slachtoffers. De in het dossier beschreven gedragingen van de verdachten, waaronder het uitkiezen van het beoogde slachtoffer, het knikken en seinen naar elkaar, het trekken van de aandacht door de ene verdachte, het proberen spullen weg te nemen door de ander verdachte, dienen naar oordeel van het hof naar uiterlijke verschijningsvormen te worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van de diefstallen.
Uit de gedragingen van de verdachten zoals tenlastegelegd onder feit 3 blijkt wat de eerstvolgende stap zou zijn geweest als de beoogde slachtoffers zich niet hadden omgedraaid. Hierbij is namelijk door de verdachte daadwerkelijk een stapeltje papier uit de jaszak weggenomen en vervolgens weer terug gestopt in de zak van het slachtoffer. Met deze handeling was er sprake van een voltooide poging.
Dit bezien in relatie tot de feiten 1 en 2 sterkt het hof in de overtuiging dat ook bij deze feiten sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het verweer van de raadsman ertoe strekkende dat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering wordt daarom verworpen.
Ten aanzien van het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde medeplegen
De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte hebben onder andere bestaan uit het seinen naar elkaar en het door de verdachte afleiden van het slachtoffer terwijl de medeverdachte dicht achter het slachtoffer ging staan. Dit maakt dat sprake is van een duidelijke rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen een bijdrage van significant gewicht heeft geleverd aan de tenlastegelegde pogingen tot diefstal, waardoor sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande acht het hof alle drie de tenlastegelegde pogingen tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. N. van der Wijngaart, en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2024.
Mr. A.M. Kengen en mr. C. Laukens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.