Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-05-22
ECLI:NL:GHAMS:2024:1404
Strafrecht
Hoger beroep
2,326 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000162-24
datum uitspraak: 8 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-244090-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1986,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de verdachte naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vrijspraak
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de tenlastegelegde invoer van cocaïne.
Het hof overweegt het volgende.
Het hof gaat uit van de verklaring van de verdachte dat hij de vissen waarin de cocaïne is aangetroffen, van zijn nicht heeft gekregen om samen met andere voedingsmiddelen mee te nemen naar Nederland, en dat hem aan deze voedingsmiddelen niets is opgevallen. Deze verklaring is op voorhand niet ongeloofwaardig en er is geen onderzoek naar gedaan, ondanks het bestaan van concrete aanknopingspunten.
Het hof neemt als uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn of haar bagage bekend is, behoudens bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake. Het hof hecht betekenis aan het feit dat de uiterlijke kenmerken van de vissen niet zodanig waren dat dit argwaan bij de verdachte moest opwekken. De vissen zagen er normaal uit, en de cocaïne is pas ontdekt nadat de douane na een afwijkende x-ray scan met een fretboor in een van de vissen heeft geprikt. Nu de verdachte de vissen bovendien heeft meegenomen voor zijn nicht, met wie hij een vertrouwensrelatie had, kan niet zonder meer worden volgehouden dat hij wist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat zich in deze vissen cocaïne bevond, en dat hij die kans bewust heeft aanvaard.
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof daarom van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid gezegd kan worden dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de invoer van de cocaïne, ook niet in de voorwaardelijke vorm. De verdachte dient te worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. B.E. Dijkers en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei 2024.
Mr. B.E. Dijkers en mr. C. Laukens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000162-24
datum uitspraak: 8 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-244090-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1986,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de verdachte naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 september 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vrijspraak
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de tenlastegelegde invoer van cocaïne.
Het hof overweegt het volgende.
Het hof gaat uit van de verklaring van de verdachte dat hij de vissen waarin de cocaïne is aangetroffen, van zijn nicht heeft gekregen om samen met andere voedingsmiddelen mee te nemen naar Nederland, en dat hem aan deze voedingsmiddelen niets is opgevallen. Deze verklaring is op voorhand niet ongeloofwaardig en er is geen onderzoek naar gedaan, ondanks het bestaan van concrete aanknopingspunten.
Het hof neemt als uitgangspunt dat een passagier met de inhoud van zijn of haar bagage bekend is, behoudens bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake. Het hof hecht betekenis aan het feit dat de uiterlijke kenmerken van de vissen niet zodanig waren dat dit argwaan bij de verdachte moest opwekken. De vissen zagen er normaal uit, en de cocaïne is pas ontdekt nadat de douane na een afwijkende x-ray scan met een fretboor in een van de vissen heeft geprikt. Nu de verdachte de vissen bovendien heeft meegenomen voor zijn nicht, met wie hij een vertrouwensrelatie had, kan niet zonder meer worden volgehouden dat hij wist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat zich in deze vissen cocaïne bevond, en dat hij die kans bewust heeft aanvaard.
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof daarom van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid gezegd kan worden dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de invoer van de cocaïne, ook niet in de voorwaardelijke vorm. De verdachte dient te worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Heft op de voorlopige hechtenis van de verdachte, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. B.E. Dijkers en mr. C. Laukens, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei 2024.
Mr. B.E. Dijkers en mr. C. Laukens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.