Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-05-01
ECLI:NL:GHAMS:2024:1194
Strafrecht
Hoger beroep
2,732 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002803-23
datum uitspraak: 1 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer
96-263776-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straffen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, te voldoen in vijf termijnen van elk € 170,00 per maand, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 850,00, waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft onder invloed van cannabis een personenauto bestuurd. Door aldus te handelen heeft hij de veiligheid van andere weggebruikers en van zichzelf in gevaar gebracht. Dit is een ernstig feit en het hof rekent dit de verdachte aan.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het bewezenverklaarde bekend en heeft verklaard dat hij momenteel anders in het leven staat. Hij is – ook financieel gezien – op de goede weg en lost mondjesmaat zijn schulden af. Alles afwegende acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, een geldboete van € 850,00, waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het hof zal daarbij bepalen dat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de geldboete mag voldoen in twee termijnen van elk € 200,00 per maand.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 450,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van de geldboete mag worden voldaan in 2 (twee) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 200,00 (tweehonderd euro).
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
[…]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002803-23
datum uitspraak: 1 mei 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer
96-263776-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straffen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, te voldoen in vijf termijnen van elk € 170,00 per maand, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 850,00, waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft onder invloed van cannabis een personenauto bestuurd. Door aldus te handelen heeft hij de veiligheid van andere weggebruikers en van zichzelf in gevaar gebracht. Dit is een ernstig feit en het hof rekent dit de verdachte aan.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het bewezenverklaarde bekend en heeft verklaard dat hij momenteel anders in het leven staat. Hij is – ook financieel gezien – op de goede weg en lost mondjesmaat zijn schulden af. Alles afwegende acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, een geldboete van € 850,00, waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Het hof zal daarbij bepalen dat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de geldboete mag voldoen in twee termijnen van elk € 200,00 per maand.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 450,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijk deel van de geldboete mag worden voldaan in 2 (twee) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 200,00 (tweehonderd euro).
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2024.
mr. H.A. Stalenhoef is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]
[…]