Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-05
ECLI:NL:GHAMS:2024:1149
Strafrecht
Hoger beroep
1,890 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002781-22 (ontneming)
datum uitspraak: 5 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-023058-20 tegen de betrokkene
[verdachten]
,
geboren te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 51.535,74.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2020 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep en het medeplegen van diefstal van elektriciteit.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 oktober 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.767,87 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van dit hof van heden integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 maart 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen, gelet op de in de strafzaak bepleite (integrale) vrijspraak.
Nu de verdachte in de strafzaak bij arrest van heden (parketnummer 23-001806-22) in hoger beroep is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd in de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende strafzaak, zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
5 april 2024.
mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002781-22 (ontneming)
datum uitspraak: 5 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-023058-20 tegen de betrokkene
[verdachten]
,
geboren te [geboorteplaats 1] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 51.535,74.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2020 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het telen van een grote hoeveelheid hennep en het medeplegen van diefstal van elektriciteit.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 oktober 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 25.767,87 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van dit hof van heden integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 maart 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen, gelet op de in de strafzaak bepleite (integrale) vrijspraak.
Nu de verdachte in de strafzaak bij arrest van heden (parketnummer 23-001806-22) in hoger beroep is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd in de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende strafzaak, zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
5 april 2024.
mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.