Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:1120
Strafrecht
Raadkamer
1,718 tokens
Dictum
inzake het op 9 april 2024 gedane verzoek door
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats],
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
In de strafrechtelijke procedure met bovengenoemd parketnummer (hierna: de hoofdzaak) heeft op 9 april 2024 de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting is de tijdigheid van het hoger beroep besproken. Na de standpuntenwisseling heeft de behandelend raadsheer, mr. E. van Die (hierna: de raadsheer), de beslissing in het openbaar uitgesproken.
1.2.
Nadat de raadsheer de beslissing had uitgesproken, heeft de verzoeker ter zitting een verzoek tot wraking gedaan jegens de raadsheer.
1.3.
De raadsheer heeft te kennen gegeven niet te berusten in het verzoek tot wraking en heeft een schriftelijke reactie gegeven inhoudende dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Beoordeling
2.1.
Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Volgens artikel 513, lid 1, Sv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
2.3.
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de raadsheer in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van een rechter die deze uitspraak heeft gedaan (zie o.a. de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010, ECLI:NL:2010:BJ9926 en 2 november 2010, ECLI:NL:2010:BN2366). Het met wraking beoogde doel dat een rechter de zaak niet (verder) behandelt, kan immers niet meer worden bereikt. Om die reden is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
2.4.
Gelet op het voorgaande kan – overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4 lid 2 onder d van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam – het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is op 18 april 2024 gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. I.A. van der Burg en mr. A.E. Kleene – Krom in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier.
De griffier, de oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
Dictum
inzake het op 9 april 2024 gedane verzoek door
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats],
hierna: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
In de strafrechtelijke procedure met bovengenoemd parketnummer (hierna: de hoofdzaak) heeft op 9 april 2024 de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting is de tijdigheid van het hoger beroep besproken. Na de standpuntenwisseling heeft de behandelend raadsheer, mr. E. van Die (hierna: de raadsheer), de beslissing in het openbaar uitgesproken.
1.2.
Nadat de raadsheer de beslissing had uitgesproken, heeft de verzoeker ter zitting een verzoek tot wraking gedaan jegens de raadsheer.
1.3.
De raadsheer heeft te kennen gegeven niet te berusten in het verzoek tot wraking en heeft een schriftelijke reactie gegeven inhoudende dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Beoordeling
2.1.
Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Volgens artikel 513, lid 1, Sv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
2.3.
Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de raadsheer in de hoofdzaak einduitspraak heeft gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van een zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van een rechter die deze uitspraak heeft gedaan (zie o.a. de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010, ECLI:NL:2010:BJ9926 en 2 november 2010, ECLI:NL:2010:BN2366). Het met wraking beoogde doel dat een rechter de zaak niet (verder) behandelt, kan immers niet meer worden bereikt. Om die reden is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
2.4.
Gelet op het voorgaande kan – overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4 lid 2 onder d van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam – het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is op 18 april 2024 gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. I.A. van der Burg en mr. A.E. Kleene – Krom in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier.
De griffier, de oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.