Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-12
ECLI:NL:GHAMS:2024:1117
Strafrecht
Hoger beroep
1,468 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002746-23
datum uitspraak: 12 april 2024
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-052487-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1987,
adres: [adres].
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024.
De advocaat-generaal heeft gevorderd zowel de officier van justitie als de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep op grond van respectievelijk artikel 416, derde en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De raadsvrouw heeft het hof verzocht zowel de verdachte als de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep op grond van respectievelijk artikel 416, tweede en derde lid, Sv.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de verdachte in het hoger beroep
De officier van justitie heeft op 17 oktober 2023 hoger beroep ingesteld en op 18 oktober 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 5 oktober 2023. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 28 november 2023 aangevangen. Blijkens de akte intrekking rechtsmiddel van 24 januari 2024 heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat zij het hoger beroep intrekt. Op 1 februari 2024 heeft de raadsvrouw namens de verdachte te kennen gegeven dat ook de verdediging het appel intrekt. Zowel het OM als de verdachte moeten daarom geacht worden hun eerder opgegeven bezwaren tegen voormeld vonnis niet langer te handhaven.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, de officier van justitie en de verdachte op grond van het bepaalde in artikel 416, derde respectievelijk tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. P.F.E. Geerlings en mr. G.J.M. Kruizinga, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 april 2024.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002746-23
datum uitspraak: 12 april 2024
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-052487-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1987,
adres: [adres].
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024.
De advocaat-generaal heeft gevorderd zowel de officier van justitie als de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep op grond van respectievelijk artikel 416, derde en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De raadsvrouw heeft het hof verzocht zowel de verdachte als de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep op grond van respectievelijk artikel 416, tweede en derde lid, Sv.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de verdachte in het hoger beroep
De officier van justitie heeft op 17 oktober 2023 hoger beroep ingesteld en op 18 oktober 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 5 oktober 2023. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 28 november 2023 aangevangen. Blijkens de akte intrekking rechtsmiddel van 24 januari 2024 heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven dat zij het hoger beroep intrekt. Op 1 februari 2024 heeft de raadsvrouw namens de verdachte te kennen gegeven dat ook de verdediging het appel intrekt. Zowel het OM als de verdachte moeten daarom geacht worden hun eerder opgegeven bezwaren tegen voormeld vonnis niet langer te handhaven.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, de officier van justitie en de verdachte op grond van het bepaalde in artikel 416, derde respectievelijk tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. P.F.E. Geerlings en mr. G.J.M. Kruizinga, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 april 2024.