Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-04
ECLI:NL:GHAMS:2024:1013
Strafrecht
Hoger beroep
1,884 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002002-22
datum uitspraak: 4 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 96-279904-21 en 96-216857-19 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
adres: [adres].
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep en van hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 3 mei 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland locatie Haarlem. Volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding op 15 februari 2022 op het BRP-adres van de verdachte aan [naam] betekend.
Op 27 april 2020 (naar het hof begrijpt 2022) heeft de verdachte een brief verzonden aan de rechtbank Noord-Holland (aldaar ontvangen op 6 mei 2022) waarin hij kenbaar maakt dat hij op 3 mei in het ziekenhuis moet zijn en waarin hij vraagt om, in geval de rechter zou overwegen een gevangenisstraf op te leggen, hiervan af te zien en te volstaan met een taakstraf dan wel een geldboete.
De verdachte is op 3 mei 2022 bij verstek veroordeeld.
Op 21 mei 2022 is de mededeling uitspraak in persoon aan de verdachte betekend. De verdachte heeft deze betekening in persoon betwist.
Op 6 juni 2022 heeft de verdachte een brief verzonden aan het C.V.O.M. waarin hij kenbaar maakt dat hij voor de rechtszaak een brief heeft gestuurd met de vraag om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf of een geldboete en dat hij vandaag de beslissing heeft ontvangen.
Daargelaten de vraag of de betekening van de mededeling uitspraak al dan niet in persoon heeft plaatsgevonden leidt het hof uit de brief van de verdachte gedagtekend 27 april 2020 (zoals reeds opgemerkt, naar het hof begrijpt door de verdachte opgesteld op 27 april 2022) af en stelt het hof dientengevolge vast dat de dag van de terechtzitting de verdachte van te voren bekend was zoals bedoeld in artikel 408 eerste lid onder c van Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en dat de verdachte tevens bekend was met de uitspraak zoals bedoeld in artikel 408 tweede lid Sv, nu dit uit de brief van de verdachte van 6 juni 2022 blijkt.
Tegen bedoelde uitspraak heeft de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar pas op 26 juli 2022.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. D. Radder en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 april 2024.
.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002002-22
datum uitspraak: 4 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 mei 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 96-279904-21 en 96-216857-19 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
adres: [adres].
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep en van hetgeen de raadsman en de verdachte naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 3 mei 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland locatie Haarlem. Volgens de akte van uitreiking is de dagvaarding op 15 februari 2022 op het BRP-adres van de verdachte aan [naam] betekend.
Op 27 april 2020 (naar het hof begrijpt 2022) heeft de verdachte een brief verzonden aan de rechtbank Noord-Holland (aldaar ontvangen op 6 mei 2022) waarin hij kenbaar maakt dat hij op 3 mei in het ziekenhuis moet zijn en waarin hij vraagt om, in geval de rechter zou overwegen een gevangenisstraf op te leggen, hiervan af te zien en te volstaan met een taakstraf dan wel een geldboete.
De verdachte is op 3 mei 2022 bij verstek veroordeeld.
Op 21 mei 2022 is de mededeling uitspraak in persoon aan de verdachte betekend. De verdachte heeft deze betekening in persoon betwist.
Op 6 juni 2022 heeft de verdachte een brief verzonden aan het C.V.O.M. waarin hij kenbaar maakt dat hij voor de rechtszaak een brief heeft gestuurd met de vraag om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf of een geldboete en dat hij vandaag de beslissing heeft ontvangen.
Daargelaten de vraag of de betekening van de mededeling uitspraak al dan niet in persoon heeft plaatsgevonden leidt het hof uit de brief van de verdachte gedagtekend 27 april 2020 (zoals reeds opgemerkt, naar het hof begrijpt door de verdachte opgesteld op 27 april 2022) af en stelt het hof dientengevolge vast dat de dag van de terechtzitting de verdachte van te voren bekend was zoals bedoeld in artikel 408 eerste lid onder c van Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en dat de verdachte tevens bekend was met de uitspraak zoals bedoeld in artikel 408 tweede lid Sv, nu dit uit de brief van de verdachte van 6 juni 2022 blijkt.
Tegen bedoelde uitspraak heeft de verdachte niet binnen de wettelijk voorgeschreven veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar pas op 26 juli 2022.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. D. Radder en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 april 2024.
.