Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-06
ECLI:NL:GHAMS:2023:3746
Strafrecht
Hoger beroep
2,598 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002662-19
datum uitspraak: 6 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-654059-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
22 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte
en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring tot een andere bewijsconstructie komt.
Bewijsmotivering
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van beide feiten geen verweer gevoerd. De verdachte wist niet wat er in de dozen en tassen zat die zij heeft opgehaald en vervoerd, maar zij had wel kunnen vermoeden wat erin zat en heeft haar ‘kop in het zand gestoken’.
Oordeel van het hof
Het hof begrijpt hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht en de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep aldus, dat de verdediging het standpunt inneemt dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de onder 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen. Het hof volgt de verdediging hierin en zal de bewijsoverwegingen van de rechtbank, voor zover die inhouden dat de verdachte de XTC-pillen moet hebben gezien omdat de tassen en dozen waar die in zaten niet waren afgesloten, alsmede dat de handtas met inhoud die bij de verdachte is aangetroffen haar eigen handtas moet zijn geweest, niet overnemen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
de eendaadse samenloop van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
en
de eendaadse samenloop van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De verdediging heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd nu dit haar leven zoals ze het nu op de rit heeft, zou doorkruisen. Ingeval het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding teneinde een recente reclasseringsrapportage te laten opmaken.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich ertoe laten brengen (met haar toenmalige partner) een grote hoeveelheid verdovende middelen en ook een flink geldbedrag, waarvan mag worden aangenomen dat het uit misdrijf afkomstig was, uit een woning waar zij ook verbleef op te halen en mee te nemen. Het is niet duidelijk geworden wat beiden met de drugs van plan waren. Ze zijn immers kort nadat ze een en ander hadden opgehaald door de politie aangehouden. Een verdergaande betrokkenheid van de verdachte bij de verdovende middelen is uit het politieonderzoek, dat zich met name op medeverdachte [medeverdachte] heeft geconcentreerd, niet gebleken. Niettemin heeft zij hiermee een bijdrage geleverd aan criminele feiten. Met name het gewicht van de pillen die zijn opgehaald en vervoerd, maakt haar gedrag kwalijk.
Het aanwezig hebben en vervoeren van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen wordt doorgaans bestraft met forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Het hof wil echter aannemen dat de verdachte door omstandigheden in een ook door haar niet gewilde situatie verzeild is geraakt. Het hof heeft ook oog voor de moeilijke omstandigheden waaronder zij zich tot nu toe in de maatschappij staande heeft moeten houden, waarbij het hof heeft kennis genomen van het over de verdachte opgemaakte advies van Reclassering Nederland van 30 augustus 2018. Tot deze feiten had zij daarnaast een blanco strafblad, zo blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 12 juni 2023. Sindsdien zijn er inmiddels ruim vijf jaren verstreken en ook in die tussenliggende tijd is niet gebleken dat zij (weer) met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Uit de informatie die het hof ter beschikking heeft, blijkt dat de verdachte met de nodige hulp sinds de schorsing van de bewaring een goed bestaan voor haar, en inmiddels ook haar jonge kind, heeft weten op te bouwen. Het hof wil wat met veel inzet is opgebouwd niet in één klap teniet doen. Desalniettemin zijn de feiten te ernstig om deze met een lichte straf af te doen. Het hof zal daarom aan de verdachte voor ieder feit de maximale taakstraf opleggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. De verdachte is op 18 mei 2018 in verzekering gesteld, op welke datum de op de redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang nam. Op 2 juli 2019 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De verdachte heeft op 10 juli 2019 hoger beroep ingesteld. Op 6 juli 2023 zal het hof het arrest uitspreken. Dit heeft tot gevolg dat de redelijke termijn met bijna twee jaren is overschreden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 400 (vierhonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 200 (tweehonderd) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. Geld Euro 7.290,00
5574700.
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: Goud APPLE Iphone 6s
5573733
3. 1.00 STK Tas LANCOME
5574734; inhoud diverse sleutelbossen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 juli 2023.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]