Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-12-22
ECLI:NL:GHAMS:2023:3714
Strafrecht
Hoger beroep
2,058 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002389-20
datum uitspraak: 22 december 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 15-206940-20 en 15-211045-19, 15-163953-19 (TUL) tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1999,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen aanvult met het hierna te noemen bewijsmiddel.
Aanvullend bewijsmiddel
1.
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2023
. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb me schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde inbraak.
Oplegging van straffen
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht
,
en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal van ijzer van een bedrijventerrein. Dergelijke diefstallen zijn ernstige feiten, die naast schade ook veel hinder voor de gedupeerde bedrijven meebrengen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat, nu de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 december 2023 eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, op grond van de LOVS-oriëntatiepunten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden gerechtvaardigd is.
Het hof ziet – met de advocaat-generaal – in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om van de in eerste aanleg opgelegde straf af te wijken. De verdachte heeft een vaste woning, een fulltime baan en een gezin met een jong kind. Via zijn werkgever volgt hij bovendien een aan zijn baan gerelateerde opleiding. Het reclasseringstoezicht uit andere hoofde verloopt goed, zoals mevrouw [naam01] ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard zijn nog openstaande taakstraffen af te willen ronden, en met een schone lei te willen beginnen. Gelet op de aanwezigheid van belangrijke risicobeperkende factoren die door detentie in gevaar kunnen komen en gelet op de positieve en gemotiveerde houding van de verdachte acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. Het hof ziet alles overwegende aanleiding om naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten.
Het hof stelt vast dat het in artikel 6, eerste lid, EVRM opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden. De verdachte heeft op 26 oktober 2020 hoger beroep ingesteld en vandaag wordt eindarrest gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ruim 1 jaar. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de taakstraf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof in plaats van 120 uur taakstraf 100 uur taakstraf oplegt.
Het hof acht, alles afwegende en gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2019 in de zaak met parketnummer 15-211045-19 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, groot veertien dagen. Tevens heeft het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging gevorderd van een gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2020 in de zaak met parketnummer 15-163953-19 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, groot twee maanden. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vorderingen af te wijzen.
Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-211045-19, nu de volledige tenuitvoerlegging van deze straf reeds bij arrest van 25 januari 2023 in de zaak met parketnummer 23-001371-22 door het gerechtshof te Amsterdam is gelast. Dat arrest is op 17 oktober 2023 onherroepelijk geworden.
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-163953-19, mede gelet op de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging, afwijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf
voor de duur van
2 (twee) maanden
.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
100 (honderd) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis
.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-211045-19.
Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer
15-163953-19.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. M.J.A. Duker en mr. G.J.M. Kruizinga, in tegenwoordigheid van
mr. R.J. den Arend en mr. M.C. de Rade, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 december 2023.
=
===
[…]