Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-10-30
ECLI:NL:GHAMS:2023:3394
Strafrecht
Hoger beroep
879 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 15-257755-21
parketnummer hoger beroep : 23-000881-23
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 30 oktober 2023 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2023 in de zaak tegen de verdachte:
naam:
[verdachte01]
voornamen: [verdachte01]
geboren: op [geboortedatum01] 1972 te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] )
adres: [adres01] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboete
van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro)
, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis
.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 500,00 (vijfhonderd euro)
, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis
, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jaren
aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij01]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij01] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.573,11 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en elf cent) bestaande uit € 823,11 (achthonderddrieëntwintig euro en elf cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade
, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij01] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.573,11 (duizend vijfhonderddrieënzeventig euro en elf cent) bestaande uit € 823,11 (achthonderddrieëntwintig euro en elf cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 oktober 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Gewezen door mr. A.R.O. Mooy, in bijzijn van mr. S. Maerman, griffier.
mr. A.R.O. Mooy
De verdachte en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting afstand gedaan van het recht beroep in cassatie in te stellen.