Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-10-17
ECLI:NL:GHAMS:2023:3277
Civiel recht
Hoger beroep
6,568 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.289.515/01
zaak- en rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/674380 / HA ZA 19-1141
C/13/677935 / HA ZA 20-17
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2023
inzake
[appellant]
,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. J.H. Duyvensz te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam.
Partijen worden hierna achtereenvolgens opnieuw [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk Verkopers genoemd.
1De zaak in het kort
Verkopers hebben medio 2018 aan [appellant] alle aandelen in [geïntimeerde 1] (hierna: [geïntimeerde 1]) verkocht en geleverd. [appellant] meent dat Verkopers haar voorafgaand aan de koopovereenkomst onjuiste informatie hebben verstrekt over de onderneming van [geïntimeerde 1] , met name een onjuiste prognose van de [bedrijf 1] over 2018 (hierna: de prognose), waaronder een onjuiste weergave van de gerealiseerde [bedrijf 1] tot en met 31 mei 2018. [appellant] stelt dat zij de koopovereenkomst daardoor onder invloed van dwaling is aangegaan en te veel heeft betaald voor de aandelen in [geïntimeerde 1] . Dat te veel betaalde vordert zij van Verkopers terug. Zij stelt daarnaast dat Verkopers door de onjuiste informatie garanties uit de koopovereenkomst hebben geschonden. Zij meent dat zij op die grond de koopovereenkomst gedeeltelijk kan ontbinden en een deel van de koopsom kan terugvorderen, althans recht heeft op de schade die zij lijdt als gevolg van de schending van de garanties.
In een eerder tussenarrest in deze zaak heeft het hof onder meer geoordeeld (zie r.ov. 4.34 van het arrest van 18 april 2023):
Mogelijk is de [bedrijf 1] in de prognose met een bedrag van € 141.000 te hoog weergegeven doordat milestones te vroeg zijn genomen. Hiernaar zal een deskundigenbericht worden gelast.
Mogelijk is de [bedrijf 1] 2018 in de prognose met een bedrag van € 449.000 te hoog weergegeven (ten opzichte van wat redelijkerwijs kon worden voorzien) doordat te verwachten nakomende kosten in (bijna) afgerond onderhanden werk ten onrechte niet zijn meegenomen in de prognose. Ook hiernaar zal een deskundigenbericht worden gelast.
Er is aan [appellant] geen onjuiste informatie verstrekt over het ‘gewonnen’ zijn van de projecten bij [bedrijf 2] . Er is wel onjuiste informatie verstrekt over het gewonnen zijn van het project bij [bedrijf 3] , maar die onjuistheid leidt niet tot een correctie van de (in de prognose vermelde) [bedrijf 1] 2018.
In de prognose zijn de unabsorbed costs over juli en augustus 2018 te laag weergegeven ten opzichte van wat destijds redelijkerwijs kon worden verwacht. Dit leidt op zichzelf echter niet tot een correctie van de (in de prognose vermelde) [bedrijf 1] 2018.
Het hof heeft in dat tussenarrest verder een aantal vragen geformuleerd die naar zijn voorlopig oordeel door de deskundige(n) dienen te worden beantwoord (zie r.ov. 4.18, 4.22, 4.40 en 4.46).
In dit tweede tussenarrest gaat het hof over tot benoeming van een deskundige en formuleert het hof de door de deskundige te beantwoorden vragen in definitieve zin.
2Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 18 april 2023 (hierna: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat tussenarrest. Daarin heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de perso(o)n(en) en het aantal van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte na tussenarrest van de zijde van [appellant] van 13 juni 2023, met producties;
- akte na tussenarrest van de zijde van Verkopers van 11 juli 2023.
Ten slotte is opnieuw arrest gevraagd.
3De verdere beoordeling
3.1
Beide partijen achten met het hof een deskundigenbericht noodzakelijk en menen met het hof dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige die registeraccountant is en ingevoerd is in de branche waarin FTNON werkzaam is. [appellant] heeft voorgesteld [naam 1] RA te benoemen als deskundige en Verkopers hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben, mits de deskundige zichzelf ook geschikt acht voor de uiteindelijke opdracht. Aan deze voorwaarde is voldaan, zodat het hof [naam 1] als deskundige zal benoemen.
3.2.
In de r.ov. 4.18, 4.22, 4.40 en 4.46 van het tussenarrest heeft het hof in voorlopige zin de aan de deskundige te stellen vragen geformuleerd. [appellant] heeft het hof verzocht terug te komen van de overwegingen die tot de vragen uit de r.ov. 4.40 en 4.46 hebben geleid en af te zien van het stellen van die vragen. Het hof volgt [appellant] daarin niet en licht dat als volgt toe.
Artikel 23.6 SPA: de eis van grove nalatigheid of opzettelijk handelen bij Verkopers of functionarissen van FTNON
3.3.
In r.ov. 4.40 van het tussenarrest heeft het hof beslist dat, indien en voor zover na het deskundigenbericht komt vast te staan dat de prognose onjuist (wat het resultaat YTD betreft) dan wel misleidend (wat het resultaat YTG betreft) was, aan de orde zal moeten komen of artikel 23.6 SPA aan toewijzing van (een deel van) de vorderingen van [appellant] in de weg staat. Het hof heeft het daarom in r.ov. 4.40 aangewezen geoordeeld dat het te gelasten deskundigenbericht zich ook uitstrekt tot de vraag of uit het onderzoek van de deskundige andere plausibele verklaringen voor een eventueel te rooskleurige voorstelling van zaken in de prognose blijken dan opzet of grove nalatigheid bij Verkopers, FTNON, hun bestuurders, werknemers of functionarissen.
3.4.
[appellant] meent dat het hof als vaststaand had moeten aannemen dat sprake is geweest van opzet bij Verkopers dan wel bij aan de zijde van FTNON betrokken personen als bedoeld in artikel 23.6 SPA. Zij herhaalt in dit verband de eerder door haar gevoerde argumenten (zoals de grote schaal waarop onjuiste informatie is verschaft) en wijst erop dat Verkopers geen andere plausibele verklaring hebben aangevoerd voor de onjuistheden/misleiding.
3.5.
Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn beslissing dat opzet of grove schuld als bedoeld in artikel 23.6 SPA nog niet vaststaat. [appellant] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van opzet of schuld bij Verkopers dan wel bij aan de zijde van FTNON betrokken personen (anders dan Verkopers thans betogen in nr. 3.3.8 van hun akte van 11 juli 2023). Omgekeerd hebben Verkopers die stelling echter in het licht van het debat tussen partijen (vooralsnog) voldoende gemotiveerd betwist. Een nadere betwisting kon van hen niet worden verlangd, omdat de motivering aan de zijde van [appellant] weinig specifiek was. Het is dus aannemelijk dat bewijslevering moet volgen ten aanzien van de vraag of eventuele (na het deskundigenbericht vast te stellen) misleiding/onjuistheden in de prognose te wijten zijn aan opzet of grove schuld aan de zijde van Verkopers of een functionaris aan de zijde van FTNON. Voor het aannemen van een rechterlijk vermoeden bestaat thans ook nog geen aanleiding omdat nog niet duidelijk is tot welk bedrag (if any) de prognose een te rooskleurig beeld gaf en wat daarvan de reden was.
Dictum
Het hof:
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de vragen als hiervoor vermeld in 3.12, samengevat:
Is de [bedrijf 1] in de prognose te hoog weergegeven doordat milestones te vroeg zijn genomen in de acht relevante projecten en zo ja, tot welk bedrag?
Is de [bedrijf 1] en/of de [bedrijf 1] 2018 in de prognose te hoog weergegeven doordat nakomende kosten op de negen relevante projecten geheel of ten dele al waren gemaakt dan wel voorzienbaar waren ten tijde van de Closing en zo ja, tot welk bedrag?
Welke koopprijs waren partijen vermoedelijk overeengekomen als de onjuistheden en/of misleidingen in de prognose die blijken bij de vragen 1 en 2, zich niet hadden voortgedaan?
Kunt u, binnen de grenzen van uw deskundigheid en op basis van uw bevindingen in het kader van uw onderzoek naar de vragen 1 tot en met 3, iets zeggen over de vraag of er andere plausibele verklaringen voor een eventueel te rooskleurige voorstelling van zaken in de prognose zijn aan te wijzen dan grove nalatigheid of opzettelijk handelen bij Verkopers of bij een bestuurder, werknemer of andere functionaris van FTNON? Zo ja, wat?
Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
[naam 1] RA, werkzaam bij [bedrijf 4] , postadres: [straat] [nummer] , [postcode] [plaats 4] ;
bepaalt dat [appellant] en Verkopers die medewerking aan het onderzoek dienen te verlenen die door de deskundige nodig wordt geoordeeld;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat beide partijen vóór 1 november 2023 kopieën van de overige gedingstukken aan
de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de
deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk;
wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de
gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het
schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding
van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van
artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet
onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op door de deskundige te bepalen tijd(en) en plaats(en);
bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 60.500 (inclusief btw);
bepaalt dat [appellant] als voorschot op de kosten van de deskundige voornoemd bedrag
dient te voldoen; [appellant] zal daarvoor van het Landelijk Dienstencentrum voor de
Rechtspraak een nota ontvangen met betaalinstructies;
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de
deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het
onderzoek behoeft te beginnen;
bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter
griffie van het hof vóór 12 maart 2024;
bepaalt dat de deskundigen tegelijk met dit bericht zijn declaratie ter griffie zal
indienen onder vermelding van zaaknummer 200.289.515/01;
verwijst de zaak naar de rol van 12 maart 2024 voor deskundigenbericht;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. A.P. Wessels, mr. J.M. van den Berg en mr. M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023.
Inleiding
3.6.
Het hof acht het daarom uit een oogpunt van doelmatigheid aangewezen dat de deskundige zich, binnen de grenzen van zijn deskundigheid en op basis van de bevindingen die hij doet in het kader van zijn onderzoek naar de hierna te noemen vragen 1 tot en met 3, naar vermogen uitlaat over de vraag of er andere plausibele verklaringen voor een eventueel te rooskleurige voorstelling van zaken in de prognose zijn aan te wijzen dan opzet of grove schuld. Daarmee draagt het hof de deskundige niet op een antwoord te geven op de vraag of de door hem (eventueel) te constateren te rooskleurige voorstelling van zaken aan opzet of grove schuld van Verkopers of een functionaris van FTNON is te wijten. Die vraag ligt buiten het terrein van zijn deskundigheid. Denkbaar is echter bijvoorbeeld dat de deskundige, als hij de vragen 1 en/of 2 positief beantwoordt (en dus concludeert dat een te rooskleurige voorstelling van zaken is gegeven), ingaat op de mate waarin de te rooskleurige voorstelling van zaken evident is en/of slecht verenigbaar met de (verbeterde) wijze waarop het projectmanagement bij FTNON was georganiseerd. Ook is denkbaar dat hij zich kan uitlaten over mogelijke samenhang tussen zijn bevindingen in het kader van de vragen 1 en 2 en de verlaging van de unabsorbed costs voor juli en augustus 2018 in de prognose (afgegeven op 24 juni 2018) naar een niveau dat ver beneden het historisch niveau ligt. Het hof verwijst naar 4.33 en 4.39 uit het tussenarrest.
Ingeval van dwaling: omvang van het nadeel in de zin van artikel 6:230 lid 2 BW
3.7.
In r.ov. 4.46 van het tussenarrest is het hof ingegaan op de wijze waarop de omvang van het nadeel in de zin van artikel 6:230 BW moet worden berekend, voor het geval komt vast te staan dat het beroep op dwaling van [appellant] slaagt waar het betreft de door de deskundige te onderzoeken punten (te weten: een vertekening van de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 1] 2018 als gevolg van het te vroeg nemen van milestones en het ten onrechte niet verdisconteren van nakomende kosten op (bijna) gereed projecten). Het hof heeft beslist dat voor de berekening van dat nadeel een verantwoorde schatting moet worden gemaakt van de koopprijs die partijen vermoedelijk zouden zijn overeengekomen voor de aandelen, de dwaling van [appellant] op de door de deskundige te onderzoeken punten weggedacht, en dat daarvoor een deskundigenbericht noodzakelijk is omdat de schattingen van [appellant] (vooralsnog) niet kunnen worden gevolgd. [appellant] verzoekt het hof om terug te komen van deze beslissing en de schatting van [appellant] wel te volgen. Daartoe ziet het hof geen aanleiding. Verwezen wordt naar r.ov. 4.45 en 4.46 uit het tussenarrest.
3.8.
Overigens hebben Verkopers terecht opgemerkt dat aan de berekening van de omvang van het nadeel voorafgaat, zoals ook blijkt uit het tussenarrest, de vraag in hoeverre de dwaling van [appellant] te wijten is aan opzettelijk handelen of grove nalatigheid van Verkopers of een functionaris van FTNON. Alleen voor zover daarvan sprake is, kan [appellant] een op dwaling gebaseerde vordering instellen. In de hypothetische situatie dient dus ook alleen de dwaling te worden weggedacht die te wijten is aan opzettelijk handelen of grove nalatigheid van Verkopers of een functionaris van FTNON. Deze complicatie wordt uit de vraagstelling aan de deskundige weggelaten omdat de vraag anders door de deskundige niet beantwoord zou kunnen worden. Uit het antwoord van de deskundige (en de onderbouwing daarvan) zal het hof in een later stadium, als de vraag naar opzet of grove nalatigheid is beantwoord, naar redelijke verwachting de juiste begroting van het nadeel kunnen afleiden.
Door partijen voorgestelde vragen
3.9.
Beide partijen hebben een groot aantal gedetailleerde, aanvullende vragen voor de deskundige voorgesteld, die het hof niet zal overnemen.
3.10.
Zo heeft [appellant] in haar akte alle aandachtspunten die het hof in zijn tussenarrest heeft opgenomen voor de deskundige bij de beantwoording van de te stellen vragen (zie r.ov. 4.19 en 4.23 van het tussenarrest) omgezet in concrete, door de deskundige, te beantwoorden vragen. Dat acht het hof onwenselijk omdat de beantwoording van die vragen gemakkelijk kan leiden tot verhandelingen die niet relevant zijn voor de beslechting van het geschil. Het kan aan de deskundige worden overgelaten in hoeverre hij het nuttig acht om in te gaan op de door het hof genoemde aandachtspunten in het kader van de motivering van zijn antwoorden op de vragen die relevant zijn voor de beslechting van het geschil.
Verder zijn verschillende vragen van [appellant] erop gericht te bewerkstelligen dat de deskundige allerlei (deel)conclusies uit de twee rapporten van A&M verifieert. Het hof neemt die vragen niet over. De deskundige zal bij zijn onderzoek alle in het dossier aanwezige stukken kunnen betrekken, waaronder deze beide rapporten. Het is echter aan de deskundige om te beoordelen welke waarde aan die rapporten kan worden toegekend of het met het oog op de te beantwoorden vragen, als hierna te formuleren, nuttig is (specifieke onderdelen van) die rapporten te verifiëren en te becommentariëren.
Vraag 7 van [appellant] neemt het hof ook niet over. Nog daargelaten of daarin niet een (in deze fase van het geding) ontoelaatbare nieuwe grondslag voor de vordering wordt geïntroduceerd, is die vraag onbegrijpelijk omdat daarin wordt gesuggereerd dat ook een [bedrijf 1] -correctie moet plaatsvinden voor nakomende kosten als die kosten op de Closing Date nog niet bekend of voorzienbaar waren. Hetzelfde geldt voor vraag 9, voor zover die vraag voortbouwt op vraag 7.
3.11.
Verkopers hebben ook een groot aantal gedetailleerde aanvullende vragen voorgesteld, die het hof niet overneemt. Een deel van die vragen ziet op het onderzoeksproces. Die vragen hebben – naar Verkopers zelf stellen – tot doel dat het de deskundige bekend is binnen welke parameters hij zal moeten werken. Vragen zijn echter niet het geëigende middel tot instructie van de deskundige, nog afgezien ervan dat de deskundige bekend mag worden verondersteld met die parameters en partijen bovendien de vrijheid hebben om de deskundige nader daarover te informeren als zij dat zinvol achten. Gelet op de aard van deze vragen is het doel waarschijnlijk ook de deskundige ertoe te dwingen verantwoording af te leggen van zijn onderzoeksproces, van waarborgen voor de kwaliteit en de objectiviteit van zijn onderzoek en van het door hem gehanteerde toetsingskader. Het is echter aan de deskundige om uit eigen beweging, zonder daarop gerichte vragen, waar nodig verantwoording af te leggen van een en ander. Verkopers hebben daarnaast vragen voorgesteld die betrekking hebben op de te onderzoeken feiten. Ook aan die vragen gaat het hof voorbij omdat zij geen van alle rechtstreeks (en soms zelfs in het geheel niet) van belang zijn voor de beslechting van het geschil en beantwoording daarvan onherroepelijk tot aanzienlijke onnodige uitweidingen zou leiden. De vragen gaan bovendien uit van veronderstellingen die het hof niet deelt, zoals de veronderstelling dat de deskundige per project onderzoek zal moeten doen naar de persoonlijke wetenschap, inschattingen en observaties van de bij het management van het project betrokken werknemers van FTNON. De deskundige zal, anders dan Verkopers menen, zelfstandig dienen te beoordelen of het afnemen van interviews met (voormalig) werknemers van FTNON zinvol is met het oog op de door hem te beantwoorden vragen.
Opdracht aan de deskundige
3.12.
Met inachtneming van hetgeen partijen in hun aktes naar voren hebben gebracht, luiden de door de deskundige te beantwoorden vragen en de bijbehorende toelichtingen als volgt:
1.
Inleiding
Is de [bedrijf 1] in de prognose te hoog weergegeven doordat
milestones
te vroeg zijn genomen in de hierna te noemen projecten en zo ja, tot welk bedrag?
Deze vraag moet worden onderzocht aan de hand van de stellingen die [appellant] op dit punt in haar memorie van grieven heeft ingenomen. Deze stellingen betreffen de volgende acht projecten en monden (volgens [appellant] ) uit in de volgende aanpassingen in de [bedrijf 1] :
1. [naam 2] (2017075) € 3.000
2. [naam 3] (2018001) € 80.000
3. [naam 4] (2018002) € 21.000
4. [naam 5] (2018003) € 1.000
5. [naam 6] (2018010) € 12.000
6. [naam 7] (2018014) € 7.000
7. [naam 8] (2018022) € 12.000
8. [naam 9] (2018024) € 5.000
Aandachtspunten bij de beantwoording van deze vraag zijn de in 4.19 van het tussenarrest genoemde (uit het partijdebat voortvloeiende) punten, met een enkele precisering, als volgt:
- In hoeverre was er in de acht genoemde projecten sprake van overlap van de fases van engineering en productie? Partijen zijn het erover eens dat het mogelijk is voor een project de productie op deels gereed te zetten als er bepaalde onderdelen zijn geproduceerd, terwijl de engineering voor andere onderdelen nog moet plaatsvinden, maar zijn het niet eens over de vraag in hoeverre daarvan sprake was in de acht projecten.
- Een aantal projecten omvat standaardmachines en/of eerder ontworpen productielijnen. Partijen verschillen van mening of FTNON daarbij meer engineering-uren begrootte dan benodigd en of de milestone ‘engineering gereed’ in die gevallen mocht worden genomen als er nog geen of slechts een klein deel van de geplande engineering-uren waren gemaakt.
- Mag het begin van de productie (milestone 35%) worden geboekt als de voor de productie benodigde materialen zijn besteld (zoals Verkopers stellen) of pas als deze zijn geleverd (zoals [appellant] stelt)?
- Partijen zijn het erover eens dat het laser-, kant- en braamwerk van het plaatmateriaal dat FTNON voor de productie gebruikte, gebeurde bij de leverancier van dat plaatmateriaal. Kon dat werk niettemin worden beschouwd als een onderdeel van de productie, zoals Verkopers stellen? [appellant] heeft daar tegenover gesteld dat er bij FTNON twee productiefases werden onderscheiden: (1) lassen en zagen en (2) monteren; en dat laser-, kant en braamwerk niet bij de productiefase hoorde. Volgens haar begon de productie na levering van het (door de leverancier bewerkte) materiaal.
- Houden de rapporten van A&M voldoende rekening met (i) eventueel tussentijds opgedragen meerwerk en (ii) met uitbestede productie waarvoor geen productie-uren in de administratie van FTNON werden opgenomen?
2. Is de [bedrijf 1] en/of de [bedrijf 1] 2018 in de prognose te hoog weergegeven doordat nakomende kosten op de hierna te noemen projecten geheel of ten dele al waren gemaakt dan wel voorzienbaar waren ten tijde van de Closing en zo ja, tot welk bedrag?
Deze vraag moet worden onderzocht aan de hand van de stellingen die [appellant] op dit punt in haar memorie van grieven heeft ingenomen. Die stellingen betreffen de volgende negen projecten en monden (volgens [appellant] ) uit in de volgende aanpassingen in de [bedrijf 1] 2018:
1. [naam 10] (2017097) € 131.384
2. [naam 11] (2017046) € 104.643
3. [naam 12] (2017096) € 55.166
4. [naam 13] (2017091) € 45.780
5. [naam 14] (2017064) € 36.341
6. [naam 15] (2017074) € 28.632
7. [naam 16] (2018007) € 16.626
8. [naam 17] (2016106) € 15.670
9. [naam 18] (2017071) € 15.094
In r.ov. 4.23 van het tussenarrest nam het hof een aandachtspunt in dit verband op.
Bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 zijn leidend de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd (vgl. artikel 2:362 lid 1 BW) en de wijze waarop de milestone-methode in de jaren voor 2018 bij FTNON werd toegepast. Voor het antwoord op deze vragen is (in beginsel) irrelevant welke kennis bij individuele werknemers of andere functionarissen van FTNON of Verkopers bekend was.
3. Welke koopprijs waren partijen vermoedelijk overeengekomen als de onjuistheden en/of misleidingen in de prognose die blijken bij de vragen 1 en 2, zich niet hadden voortgedaan?
Bij de beantwoording van deze vraag kan een rol spelen de marktwaarde van de aandelen destijds en of uit de overeengekomen koopprijs blijkt dat [appellant] bereid was meer dan de marktwaarde te betalen. Naar uit r.ov. 4.45 van het tussenarrest volgt, kan de deskundige ook acht slaan op de wijze waarop de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dus op het verloop van de onderhandelingen tussen partijen.
4. Kunt u, binnen de grenzen van uw deskundigheid en op basis van uw bevindingen in het kader van uw onderzoek naar de vragen 1 tot en met 3, iets zeggen over de vraag of er andere plausibele verklaringen voor een eventueel te rooskleurige voorstelling van zaken in de prognose zijn aan te wijzen dan grove nalatigheid of opzettelijk handelen bij Verkopers of bij een bestuurder, werknemer of andere functionaris van FTNON? Zo ja, wat?
Voor een toelichting wordt verwezen naar 3.6 hierboven.
3.13.
De deskundige heeft het voorschot op zijn werkzaamheden bepaald op € 60.500 inclusief btw. Dit voorschot zal door [appellant] betaald moeten worden.
3.14.
Nadat de deskundige zijn rapport bij het hof heeft ingediend zal het hof partijen – eerst [appellant] en daarna Verkopers – in de gelegenheid stellen bij memorie op het deskundigenrapport te reageren.
3.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.