ECLI:NL:GHAMS:2023:3007
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.329.354/01 en 200.329.354/02
Zaaknummer rechtbank: C/13/716509 / FA RK 22/2425
Beschikking van de meervoudige kamer van 17 oktober 2023 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
verzoekster in het incident,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K.E. van Lotringen te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam.
Als belanghebbenden zijn verder aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van de procedure bij de rechtbank
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 10 mei 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2.1 De moeder is op 10 juli 2023 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 10 mei 2023 (zaaknummer 200.329.354/01). Verder heeft zij op 10 juli 2023 verzocht om voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te treffen (zaaknummer 200.329.354/02).
2.2 De vader heeft op 1 augustus 2023 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3 De moeder heeft op 28 augustus 2023 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4 Het hof heeft verder de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 17 augustus 2023, met bijlagen;
- een bericht van de vader van 29 augustus 2023, met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 4 september 2023, met als bijlage het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.
2.5 De mondelinge behandeling heeft op 7 september 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal, A. Zoltowska.
- Mr. Haring namens de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
De vader is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
3.1 De vader en de moeder (hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders) zijn met elkaar gehuwd [in] 2013 te [plaats B] . Het huwelijk is op 29 september 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2022 in de registers van de burgerlijke stand.
De moeder heeft de Poolse nationaliteit. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
3.2 Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [plaats A] , en
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2020 te [plaats A] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3 Bij beschikking van 24 augustus 2022 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing op de nevenvoorzieningen aangehouden.
3.4 Bij beschikking van 19 december 2022 heeft de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verleend om in de periode van 22 december 2022 tot en met 7 januari 2023 met de kinderen naar Polen te reizen. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de vader de ID-kaarten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiterlijk op 21 december 2022 aan de moeder diende af te geven, op straffe van een dwangsom.
4 De omvang van het hoger beroep
4.1 Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij de moeder is en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. Verder is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaald, die inhoudt dat de kinderen bij de vader of de moeder verblijven conform de met het Ouder- en Kindteam (OKT) gemaakte afspraken zoals vastgelegd in het van de gedingstukken deel uitmakende veiligheidsplan.
Het verzoek van de moeder om de kinderen onder toezicht te stellen is door de rechtbank afgewezen, evenals het verzoek om een raadsonderzoek te gelasten naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de vast te stellen zorgregeling.
4.2 De moeder verzoekt in principaal hoger beroep (zaak met zaaknummer 200.329.354/01) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, kort samengevat, het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder te bepalen en een zorgregeling te bepalen, primair in de situatie dat alle drie de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en subsidiair in de situatie dat niet alle kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben, een en ander op de in het hoger beroepschrift vermelde wijze, alsmede een vakantieregeling te bepalen zoals vermeld in het in het hoger beroepschrift opgenomen schema. Ook verzoekt de moeder om ondertoezichtstelling van de kinderen en om het gelasten van een raadsonderzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Verder verzoekt de moeder bij wijze van incident om een getuigenverhoor van [X] van het OKT, [Y] van het OKT en [Z] van Veilig Thuis.
In de zaak met zaaknummer 200.329.354/02 verzoekt de moeder om bij wijze van voorlopige voorziening een onderzoek door de raad te gelasten en de kinderen onder toezicht te stellen, de voorlopige hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder te bepalen en de zorgregeling te bepalen op de wijze als zij in het principaal hoger beroep verzoekt.
4.3 De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen.
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep primair de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 3] bij de vader te bepalen. Subsidiair verzoekt hij in het kader van een zorgregeling te bepalen dat de kinderen de helft van de week bij de vader verblijven.
4.4 De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen.
5.9 Het hof overweegt als volgt. Bij de stukken bevindt zich een evaluatierapport van 30 mei 2023 van de therapiesessies van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij De [naam] . Uit dit rapport blijkt dat er zorgen zijn over de kinderen. De behandelaar geeft aan geen duidelijk beeld te hebben gekregen van [minderjarige 1] , maar opvallend is zijn sterke behoefte aan het houden van de regie, in combinatie met grensoverschrijdend gedrag. Bij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] uit de behandelaar zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en daarom wordt vervolgtherapie, dan wel gezinstherapie, aanbevolen. Ook uit de behandelaar zorgen over een mogelijke verstoring van de moeder-kindrelatie indien de moeder de kinderen alleen in het huis van de grootouders kan zien. Op 8 juli 2022 heeft het OKT een melding bij Veilig Thuis gedaan. Het OKT geeft in deze melding aan dat het agressieve gedrag van [minderjarige 1] , zowel op school als thuis, reden is tot zorg en dat het OKT geen zicht krijgt op de thuissituatie van de kinderen, gelet op de tegenstrijdige uitspraken van de ouders. Ook ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er zorgen zijn over de kinderen. De raad geeft aan dat de kinderen last beginnen te krijgen van de tegengestelde visies van de ouders en dat zij dit fysiek uiten. De moeder maakt zich zorgen om [minderjarige 1] omdat hij veel aan het gamen is en de vader geeft – bij monde van zijn advocaat – aan dat er veel druk op de kinderen wordt gelegd en dat zij mentaal onrustig zijn.
Hoewel er zorgelijke signalen zijn over de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de weerslag die dit op de kinderen heeft, bevat het dossier op dit moment onvoldoende concrete en feitelijke informatie over hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe het op dit moment met hen gaat. Hierdoor acht het hof zich thans onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Het hof behoeft daartoe het advies van de raad en zal een raadsonderzoek gelasten over de vraag welke hoofdverblijfplaats en zorgregeling in het belang van de kinderen zou moeten worden bepaald. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders bevestigd zich te kunnen vinden in het gelasten van een raadsonderzoek door het hof.
5.10 Het hof zal de raad verzoeken onderzoek te verrichten en advies uit te brengen omtrent
– in ieder geval – de volgende vragen:
Welke hoofdverblijfplaats van de kinderen is het meest in het belang van de kinderen?
Is een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de moeder/de vader, in het belang van de kinderen?
Welke zorgregeling, vakantieregeling en verdeling van de feestdagen acht de raad in het belang van de kinderen?
Zijn er verder omstandigheden die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissingen?
In afwachting van het raadsrapport zal het hof de verdere behandeling van de zaak pro forma aanhouden. De raad heeft ter zitting verklaard na het ontvangen van de beschikking binnen vijf maanden het onderzoek te kunnen starten. Het hof zal de zaak daarom voor de duur van acht maanden pro forma aanhouden, te weten tot 16 juni 2024.
5.11 Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij, in afwachting van het raadonderzoek en een nadere beslissing van het hof, beide ouders met regelmaat kunnen zien en zij voorts, zoals de raad ter zitting heeft aangegeven, duidelijkheid hebben over wanneer zij welke ouder zien. Het hof zal daarom een voorlopige zorgregeling vaststellen. De ouders hebben over de invulling van de voorlopige zorgregeling deels overeenstemming bereikt, met name dat [minderjarige 2] van maandag op dinsdag bij de moeder blijft overnachten. Over een overnachting van [minderjarige 1] bij de moeder zijn de ouders het niet eens geworden. Bij wijze van voorlopige zorgregeling zal het hof in aanvulling op de bij de bestreden beschikking vastgestelde toedeling van de zorg- en opvoedingstaken, als volgt bepalen:
[minderjarige 2] verblijft wekelijks van maandag na school tot dinsdag 18.30 uur bij de moeder, en daarnaast eens in de twee weken een zaterdag;
[minderjarige 1] verblijft eens in de twee weken op zaterdag bij de moeder; na de kerstvakantie verblijft hij wekelijks – op maandag of dinsdag – een middag bij de moeder;
De zorgregeling voor [minderjarige 3] zal blijven zoals die thans tussen de ouders is geregeld, namelijk dat zij meestentijds bij de moeder verblijft en bij de grootouders logeert op de dagen die de ouders onderling hebben afgestemd.
5.12 Omdat de zaak tot 16 juni 2024 pro forma wordt aangehouden zal het hof ook een voorlopige vakantieregeling bepalen. Het hof acht de volgende verdeling van de vakanties in het belang van de kinderen. De herfstvakantie 2023, voorjaarsvakantie 2024 en meivakantie 2024 duren één week. Het hof bepaalt dat tijdens deze vakanties de reguliere voorlopige zorgregeling zal doorlopen. De kerstvakantie 2023/2024 duurt twee weken en het hof ziet aanleiding deze als volgt te verdelen. Indien de moeder in de kerstvakantie naar Polen gaat, mag zij de kinderen meenemen. Dit houdt in dat de kinderen dan de eerste week van de kerstvakantie met de moeder naar Polen gaan en vervolgens voor oud en nieuw weer terug in Nederland zijn. Indien de moeder tijdens de kerstvakantie niet naar Polen gaat, geldt de reguliere voorlopige zorgregeling. Dit houdt in dat de kinderen tijdens eerste- en tweede kerstdag bij de moeder verblijven, aangezien deze dagen in 2023 op maandag en dinsdag vallen en de kinderen conform de (voorlopige) zorgregeling dan bij de moeder verblijven. Het hof merkt hierbij op dat het de ouders vrijstaat in onderling overleg andere afspraken te maken over de vakanties, bijvoorbeeld als één van de ouders met de kinderen op vakantie wil gaan.
5.13 Ten aanzien van het verzoek van de moeder om de door haar genoemde getuigen te horen, overweegt het hof als volgt. De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat met het horen van de door haar genoemde personen, kort gezegd, zicht kan worden verkregen op de gezinssituatie, en verdere maatregelen aan de hand daarvan kunnen worden bepaald. Gelet op het gelasten van een raadsonderzoek, waarin relevante informatie kan worden ingewonnen en ambtshalve zal worden betrokken of een beschermingsmaatregel nodig is, heeft de moeder onvoldoende belang bij toewijzing van haar verzoek. Reeds daarom zal het verzoek van de moeder worden afgewezen.
5.14 De moeder heeft op de voet van art. 823 Rv. om ondertoezichtstelling van de kinderen verzocht. Aangezien de raad onderzoek gaat doen en daarbij ambtshalve zal bezien of een beschermingsmaatregel nodig is, zal het hof de beslissing op het verzoek aanhouden.
In de zaak met zaaknummer 200.329.354/02:
5.15 De moeder verzoekt op grond van artikel 223 Rv voorzieningen te treffen voor de duur van het geding met betrekking tot het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling. Daarnaast verzoekt zij een ondertoezichtstelling uit te spreken. Het hof heeft ter zitting ambtshalve aan de orde gesteld of de moeder in haar op artikel 223 Rv gebaseerde verzoeken om voorlopige voorzieningen kan worden ontvangen, nu de wet in het kader van de echtscheidingsprocedure een eigen regime van voorlopige voorzieningen kent, neergelegd in de artikelen 821 tot en met 826 Rv.
Het hof overweegt als volgt. Met de artikelen 821 – 826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft de wetgever voorzien in een bijzondere regeling voor voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor de scheidingsprocedure.
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.329.354/01:
wijst af het verzoek om een getuigenverhoor te gelasten van de getuigen [X] , [Y] en [Z] ,
en alvorens nader te beslissen:
gelast de raad onderzoek te verrichten en advies uit te brengen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling, een en ander als onder 5.10 vermeld;
stelt in aanvulling op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank van 10 mei 2023, de volgende voorlopige zorg- en vakantieregeling vast:
[minderjarige 2] verblijft wekelijks van maandag na school tot dinsdag 18.30 uur bij de moeder, en daarnaast eens in de twee weken de zaterdag;
[minderjarige 1] verblijft eens in de twee weken op zaterdag bij de moeder; na de kerstvakantie verblijft hij wekelijks – op maandag of dinsdag – een middag bij de moeder;
Tijdens de herfstvakantie (2023), de voorjaarsvakantie (2024) en de meivakantie (2024) loopt de reguliere (voorlopige) zorgregeling door;
Voor de kerstvakantie (2023/2024) geldt:
Indien de moeder met de kinderen naar Polen gaat, verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, waarbij de moeder de kinderen uiterlijk 30 december 2023 om 17.00 uur bij de vader brengt;
Indien de moeder niet met de kinderen naar Polen gaat, dan loop de reguliere (voorlopige) zorgregeling door;
houdt de behandeling van de zaak met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en het verzoek tot ondertoezichtstelling pro forma aan tot zondag 16 juni 2024, en verzoekt de raad de resultaten van het onderzoek en het advies uiterlijk tien dagen voorafgaand aan voornoemde datum schriftelijk aan het hof te berichten;
bepaalt dat partijen, hun raadslieden en de raad zullen worden opgeroepen tegen een nader te bepalen zittingsdatum;
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak met zaaknummer 200.329.354/02:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, J.F. Miedema en M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 17 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.
In de zaak met zaaknummer 200.329.354/01:
5.1 In deze zaak liggen aan het hof nevenvoorzieningen in de echtscheidingsprocedure ter beoordeling voor. In de kern gaat de zaak over de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waartoe de moeder een raadsonderzoek nodig acht en waarbij zij heeft verzocht om ondertoezichtstelling van de kinderen.
5.2 Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en tot vaststelling van de zorgregeling.
5.3 Gelet op de inhoud en de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep en in het incident, ziet het hof aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.
Het wettelijk kader
5.4 Op grond van artikel 827, lid 1 onder c Rv, voor zover hier van belang, kan de rechter in geval de echtscheiding wordt uitgesproken als nevenvoorziening voorzieningen treffen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over en de hoofdverblijfplaats van minderjarige kinderen van de echtgenoten.
5.5 Ingevolge artikel 1:253a, lid 2, sub a en b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een regeling vaststellen omtrent de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een beslissing die hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
De standpunten van partijen
5.6 De moeder heeft aangegeven dat zij op 26 maart 2023 met [minderjarige 3] is verhuisd naar een zelfstandige unit bij gezinsopvang [XX] in [plaats A] (hierna: het opvanghuis), alwaar zij de kinderen bij zich mag hebben en kan inschrijven. [minderjarige 3] woont bij de moeder in het opvanghuis en zij slaapt twee nachten per week bij de grootouders vaderszijde (hierna: de grootouders). De moeder ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment vier tot vijf keer per week. [minderjarige 1] wil echter niet mee naar het opvanghuis. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige 1] omdat hij veel aan het gamen is. Ook geeft de vader geen toestemming voor een overnachting van [minderjarige 2] bij haar in het opvanghuis. De moeder heeft na haar verhuizing het initiatief genomen tot het maken van nieuwe afspraken over de zorgregeling en het verblijf van de kinderen, maar hier heeft de vader niet op gereageerd. Het is voor de band tussen de kinderen en de moeder van belang dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij zij elkaar regelmatig kunnen zien. De moeder verzoekt een onderzoek door de raad, omdat de ouders niet in staat zijn om tot afspraken te komen. Omdat de vrijwillige medewerking van beide ouders aan hulpverlening volgens de moeder is uitgesloten en een raadsonderzoek nog lang op zich kan laten wachten, verzoekt de moeder om de kinderen onder toezicht te stellen. Hulpverlening in het gezin is hard nodig, nu de als tijdelijk bedoelde situatie waarin de kinderen zich al lange tijd bevinden tot loyaliteitsconflicten bij hen leidt. Vanwege het stilvallen van het traject bij het OKT is onvoldoende zicht op de problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en op de opvoedmogelijkheden van de ouders. Ook heeft de vader in het najaar van 2022 alle naschoolse activiteiten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stopgezet en recent heeft hij zijn toestemming voor de speltherapie van hen ingetrokken.
Verder verzoekt de moeder de door haar genoemde personen als getuige op te roepen teneinde de gezinssituatie, de redenen van opschalen van OKT naar Veilig Thuis en het stilvallen van de hulpverlening in beeld te krijgen en verdere maatregelen aan de hand daarvan te kunnen bepalen. In incidenteel hoger beroep stelt de moeder bij wijze van verweer dat de vader niet de helft van de tijd voor de kinderen kan zorgen. De grootouders dragen deze zorg, en niet de vader zelf.
5.7 De vader brengt in principaal hoger beroep naar voren dat hij zich kan vinden in een onderzoek door de raad. Hij kan zich echter niet vinden in het verzoek van de moeder tot ondertoezichtstelling van de kinderen en haar verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het verruimen van de zorgregeling. Het is van belang dat er eerst bestendigheid in de omgang komt voordat deze eventueel uitgebreid wordt. De kinderen ervaren thans rust en stabiliteit in de thuissituatie en het gaat beter op de nieuwe school. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de grootouders en ook [minderjarige 3] slaapt daar regelmatig. De vader is feitelijk elke dag aanwezig bij de grootouders, maar hij kan zich niet op hun adres inschrijven. De kinderen hebben weerstand tegen het opvanghuis waar de moeder verblijft. Het staat de moeder echter vrij om langs te komen en iets leuks met de kinderen te doen. Verder heeft de vader het OKT niet stopgezet. In het begin gaf hij toestemming voor speltherapie, maar zolang er procedures lopen is er bij de kinderen geen ruimte voor deze therapie. Er wordt namelijk teveel druk op hen gelegd en ook de band van de kinderen met de moeder staat onder druk. Verder is het onjuist dat [minderjarige 1] alleen maar gamet.
In het incident voert de vader aan dat hij kan instemmen met het horen van [X] , omdat hij de ouders heeft begeleid. Van de andere twee personen is onvoldoende duidelijk waarom zij gehoord zouden moeten worden.
In incidenteel hoger beroep stelt de vader dat [minderjarige 3] het merendeel van de tijd bij de grootouders verblijft en daar rust en stabiliteit ervaart. Zij krijgt extra aandacht en verzorging van oma en van de nieuwe partner van de vader. Ook is het fijn voor haar om bij haar broers te zijn. Het is dan ook in het belang van [minderjarige 3] dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald.
Het advies van de raad
5.8 De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd een onderzoek door de raad te gelasten. Door verschillende interpretaties van informanten en tegengestelde verklaringen van de ouders is voor de raad geen eenduidig beeld ontstaan van het gezin, zodat de raad nog geen advies kan uitbrengen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Ook kan de raad nog niet beoordelen of een jeugdbeschermingsmaatregel nodig is voor de kinderen. Indien een raadsonderzoek gelast wordt, zal de raad deze vraag ambtshalve in het onderzoek betrekken. Verder adviseert de raad om voorlopig een meer gestructureerde zorgregeling vast te stellen, zodat aan de bij de kinderen bestaande basisbehoefte aan voorspelbaarheid en continuïteit tegemoet wordt gekomen. De kinderen moeten weten wanneer zij bij welke ouder zijn. De ouders willen beiden meer stabiliteit en rust voor de kinderen en de raad sluit zich hierbij aan.
De raad ziet dat beide ouders kunnen aansluiten bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dat zij moeiteloos contact met hen maken. Bij [minderjarige 1] krijgt de raad geen zicht op wat er met hem aan de hand is. Indien er een duidelijke zorgregeling wordt vastgelegd, heeft [minderjarige 1] een kader waarmee hij uit de voeten kan, aldus de raad.