Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-21
ECLI:NL:GHAMS:2023:2927
Strafrecht
Hoger beroep
2,205 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000777-23
datum uitspraak: 21 november 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-129456-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman - naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 27 oktober 2021 te Beverwijk als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Noorderweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat er door de officier van justitie niet tijdig is beslist op het inhouden van het rijbewijs. Hierdoor is geen sprake van een ingevorderd rijbewijs op het moment dat de verdachte op 27 oktober 2021 werd gecontroleerd.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 29 september 2021 is van de verdachte wegens een verkeersovertreding de overgifte van zijn rijbewijs gevorderd. De verdachte kon op dat moment zijn rijbewijs niet overleggen omdat hij deze niet bij zich had en hij heeft op 30 september 2021 een schriftelijke Verklaring van vermissing/diefstal rijbewijs laten opmaken. Deze verklaring heeft hij op 2 oktober 2021 ingeleverd bij de politie. De officier van justitie heeft ondertussen op 1 oktober 2021 beslist tot handhaving van de vordering van het rijbewijs. Op 13 oktober 2021 heeft de officier van justitie beslist tot inhouden van het rijbewijs voor een periode van vier maanden. De verdachte is op 27 oktober 2021 als bestuurder van een personenauto gecontroleerd in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW). Na onderzoek bleek de controlerende politieambtenaren dat het (ingevorderde) rijbewijs niet was teruggegeven.
Het hof stelt vast dat het ervoor moet worden gehouden dat door ontvangst van de Verklaring van vermissing/diefstal rijbewijs de politie het rijbewijs van de verdachte ‘fictief’ heeft ingevorderd. Ingevolge artikel 164 lid 6 WVW had de officier van justitie binnen tien dagen na deze dag van de invordering een beslissing moeten nemen over het rijbewijs. Nu de beslissing niet binnen die termijn is genomen, was de officier van justitie gehouden het rijbewijs zo spoedig mogelijk terug te geven aan de verdachte. Eerst op 3 november 2021 heeft de officier van justitie beslist tot teruggave van het rijbewijs aan de verdachte.
Een en ander laat onverlet dat op 27 oktober 2021 sprake was van een situatie dat het rijbewijs was ingevorderd en het rijbewijs nog niet was teruggegeven aan de verdachte. De kennelijke stelling van de raadsman, dat het niet tijdig nemen van de beslissing tot inhouding van het rijbewijs als rechtsgevolg heeft dat geen sprake (meer) is van invordering van het rijbewijs, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. De invordering verliest zijn rechtskracht slechts door teruggave van het rijbewijs op grond van een daartoe strekkende beslissing van de officier van justitie, dan wel op last van de rechter naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld artikel 164 lid 8 WVW (vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8436).
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 oktober 2021 te Beverwijk als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd en van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Noorderweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week en een taakstraf van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft subsidiair verzocht tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 27 oktober 2021 een personenauto bestuurd, terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Door dit te doen en de invordering te negeren, heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van de in het weg- en maatschappelijk verkeer geldende regels en de daarmee beoogde verkeersveiligheid.
Het hof zal een mildere straf opleggen dan gevorderd door de advocaat-generaal aangezien de wijze waarop de afhandeling van de invordering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden in het voordeel van de verdachte wordt meegewogen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 november 2023.