Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-20
ECLI:NL:GHAMS:2023:2924
Strafrecht
Hoger beroep
1,306 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003860-18
datum uitspraak: 20 november 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-665626-16 tegen de betrokkene
[verdachte01]
,
geboren te [naam01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1976,
adres: [adres01]
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 18.859,62.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2018 veroordeeld ter zake van
- kort gezegd – diefstal en diefstal in vereniging, meermalen gepleegd, en medeplegen van gewoontewitwassen.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 oktober 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.859,62 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van heden veroordeeld ter zake van – kort gezegd – diefstal in vereniging en witwassen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6 november 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De raadsvrouw heeft afwijzing van de vordering bepleit, aangezien de betrokkene enige diefstal ontkent en voorts ook ontkent dat de door hem verkochte goederen van misdrijf afkomstig waren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 18.859,62 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in de onderliggende strafzaak alleen bewezenverklaard de diefstal in vereniging van acht accuschroefboormachines van het merk Bosch uit de [winkel01] in Amsterdam op 28 december 2016. Blijkens de aangifte van de [winkel01] gaat het om accuschroefboormachines van het merk Bosch, type Gsr 18-2-li. De nieuwwaarde van deze accuschroefboormachines bedroeg blijkens de aangifte € 159,04 per stuk. Blijkens het digitaal opkopersregister heeft de betrokkene op 10 januari 2017 twee boormachines van dit type ter verkoop aangeboden bij [winkel02] . Daarvoor heeft hij per boormachine een bedrag van € 120,00 ontvangen. Het hof schat daarom, in het voordeel van de betrokkene, de waarde van alle door de betrokkene gestolen boormachines op € 120,00 per stuk, dat wil zeggen een totaal bedrag van € 960,00.
Nu bewezen is verklaard in de strafzaak dat de betrokkene de diefstal in vereniging met zijn broer heeft begaan en voorts aannemelijk is dat de opbrengsten van die diefstal tussen de beide broers zal zijn verdeeld, zal het hof, bij gebrek aan nadere gegevens hierover, uitgaan van een pondspondsgewijze verdeling en de helft van het voordeel aan de betrokkene toerekenen. Daarmee komt het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 480,00.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 480,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
480,00 (vierhonderdtachtig euro)
.
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staat
ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 480,00 (vierhonderdentachtig euro)
.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 9 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 november 2023.
mr. R. Vosman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.