Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-11-16
ECLI:NL:GHAMS:2023:2893
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,352 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 22/45
16 november 2023
uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
tegen de uitspraak van 15 december 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/2301 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de ontvanger.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Op 23 juli 2019 heeft de ontvanger belanghebbende aangemaand tot het betalen van de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en daarbij aanmaningskosten in rekening
gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger het bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten op nihil gesteld en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 december 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de ontvanger worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Feiten
1. Met dagtekening 9 september 2017 zijn aan eiser voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt en op 22 juni 2019 is daarop uitspraak gedaan. Daarop heeft verweerder eiser meegedeeld dat met de uitspraak op bezwaar het uitstel van betaling was komen te vervallen.
2. Op 23 juli 2019 heeft verweerder eiser aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen en daarbij bij elk van de aanmaningen € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht.
3. Op 31 juli 2019 heeft eiser tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen beroep ingesteld en bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten. Het bezwaarschrift is op 31 juli 2019 bij verweerder ontvangen. Ook op 31 juli 2019 heeft eiser verzocht om uitstel van betaling. Dit verzoek is op 1 augustus 2019 bij verweerder ontvangen.
4. Per brief van 4 februari 2020, bij verweerder ontvangen op 6 februari 2020, heeft eiser verweerder van het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten in gebreke gesteld.
5. Op 12 februari 2020 heeft verweerder, zonder eiser te hebben gehoord, uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten gedaan en daarbij liet bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil en aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25, berekend naar één procespunt voor het indienen van liet bezwaarschrift en een wegingsfactor van 0,25.
6. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft verweerder beslist dat geen dwangsom is verbeurd.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
Geschil
In (incidenteel) hoger beroep is uiteindelijk alleen nog in geschil de hoogte van de door de ontvanger toegekende proceskostenvergoeding (meer in het bijzonder, het achterwege blijven van de factor 1,5 voor samenhangende zaken) voor de bezwaarfase.
Overwegingen
1. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding wegens samenhang van de zaken (vier of meer).
2. Op 9 september 2017 zijn vier navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Belanghebbende heeft viermaal bezwaar ingesteld waarbij hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Op 22 juni 2019 heeft de ontvanger viermaal uitspraak op bezwaar gedaan. Per brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling was vervallen. Op 23 juli 2019 is belanghebbende aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen waarbij bij elk van de aanmaningen, € 7 aan aanmaningskosten in rekening is gebracht. Op 30 juli 2019 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen het opleggen van aanmaningskosten. De ontvanger heeft met de uitspraak van bezwaar de aanmaningskosten verminderd tot nihil en tevens een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25.
3. De ontvanger is van opvatting dat belanghebbende in het geheel geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. De per abuis toegekende vergoeding kan in stand blijven, maar er is geen ruimte voor een verhoging, aldus de ontvanger.
4. Bij brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger belanghebbende medegedeeld dat verleende uitstel van betaling (met betrekking tot de navorderingsaanslagen) is komen te vervallen. Belanghebbende heeft de aanslagen niet binnen de daarvoor gestelde termijn betaald, zodat de ontvanger terecht op 23 juli 2019 aanmaningskosten in heeft rekening gebracht.
Nadat belanghebbende op 31 juli 2019 in beroep is gekomen (en – wederom – uitstel van betaling heeft gekregen) heeft de ontvanger op 12 februari 2020 het bezwaar tegen de aanmaningskosten (naar het Hof begrijpt, per abuis) gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil, en een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend.
5. Nu er geen sprake is van een aan de ontvanger te wijten onrechtmatigheid (alleen een vergissing in het voordeel van belanghebbende) is er geen grond voor de (per abuis) toegekende proceskostenvergoeding. Het bezwaar is ten onrechte gegrond verklaard en belanghebbende had in het geheel geen recht op proceskostenvergoeding. Het Hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de forfaitaire proceskostenvergoeding, meer in het bijzonder de vraag welke factor dient te worden toegepast.
Gelet op het beginsel van behoorlijk bestuur ‘(het verbod op) reformatio in peius’ dient de (per abuis) toegekende vermindering van de aanmaningskosten en de toegekende proceskostenvergoeding in stand te blijven.
6. Het hoger beroep van belanghebbende faalt. De uitspraak van de rechtbank moet (onder aanvulling van de gronden naar aanleiding van het verloop in hoger beroep) worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof ziet gelet op het onder 5.3 tot en met 5.3.2 overwogene geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 16 november 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 22/45
16 november 2023
uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
tegen de uitspraak van 15 december 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/2301 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de ontvanger.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Op 23 juli 2019 heeft de ontvanger belanghebbende aangemaand tot het betalen van de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en daarbij aanmaningskosten in rekening
gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger het bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten op nihil gesteld en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 december 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de ontvanger worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Feiten
1. Met dagtekening 9 september 2017 zijn aan eiser voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt en op 22 juni 2019 is daarop uitspraak gedaan. Daarop heeft verweerder eiser meegedeeld dat met de uitspraak op bezwaar het uitstel van betaling was komen te vervallen.
2. Op 23 juli 2019 heeft verweerder eiser aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen en daarbij bij elk van de aanmaningen € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht.
3. Op 31 juli 2019 heeft eiser tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen beroep ingesteld en bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten. Het bezwaarschrift is op 31 juli 2019 bij verweerder ontvangen. Ook op 31 juli 2019 heeft eiser verzocht om uitstel van betaling. Dit verzoek is op 1 augustus 2019 bij verweerder ontvangen.
4. Per brief van 4 februari 2020, bij verweerder ontvangen op 6 februari 2020, heeft eiser verweerder van het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten in gebreke gesteld.
5. Op 12 februari 2020 heeft verweerder, zonder eiser te hebben gehoord, uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten gedaan en daarbij liet bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil en aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25, berekend naar één procespunt voor het indienen van liet bezwaarschrift en een wegingsfactor van 0,25.
6. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft verweerder beslist dat geen dwangsom is verbeurd.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
Geschil
In (incidenteel) hoger beroep is uiteindelijk alleen nog in geschil de hoogte van de door de ontvanger toegekende proceskostenvergoeding (meer in het bijzonder, het achterwege blijven van de factor 1,5 voor samenhangende zaken) voor de bezwaarfase.
Overwegingen
1. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding wegens samenhang van de zaken (vier of meer).
2. Op 9 september 2017 zijn vier navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Belanghebbende heeft viermaal bezwaar ingesteld waarbij hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Op 22 juni 2019 heeft de ontvanger viermaal uitspraak op bezwaar gedaan. Per brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling was vervallen. Op 23 juli 2019 is belanghebbende aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen waarbij bij elk van de aanmaningen, € 7 aan aanmaningskosten in rekening is gebracht. Op 30 juli 2019 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen het opleggen van aanmaningskosten. De ontvanger heeft met de uitspraak van bezwaar de aanmaningskosten verminderd tot nihil en tevens een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25.
3. De ontvanger is van opvatting dat belanghebbende in het geheel geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. De per abuis toegekende vergoeding kan in stand blijven, maar er is geen ruimte voor een verhoging, aldus de ontvanger.
4. Bij brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger belanghebbende medegedeeld dat verleende uitstel van betaling (met betrekking tot de navorderingsaanslagen) is komen te vervallen. Belanghebbende heeft de aanslagen niet binnen de daarvoor gestelde termijn betaald, zodat de ontvanger terecht op 23 juli 2019 aanmaningskosten in heeft rekening gebracht.
Nadat belanghebbende op 31 juli 2019 in beroep is gekomen (en – wederom – uitstel van betaling heeft gekregen) heeft de ontvanger op 12 februari 2020 het bezwaar tegen de aanmaningskosten (naar het Hof begrijpt, per abuis) gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil, en een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend.
5. Nu er geen sprake is van een aan de ontvanger te wijten onrechtmatigheid (alleen een vergissing in het voordeel van belanghebbende) is er geen grond voor de (per abuis) toegekende proceskostenvergoeding. Het bezwaar is ten onrechte gegrond verklaard en belanghebbende had in het geheel geen recht op proceskostenvergoeding. Het Hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de forfaitaire proceskostenvergoeding, meer in het bijzonder de vraag welke factor dient te worden toegepast.
Gelet op het beginsel van behoorlijk bestuur ‘(het verbod op) reformatio in peius’ dient de (per abuis) toegekende vermindering van de aanmaningskosten en de toegekende proceskostenvergoeding in stand te blijven.
6. Het hoger beroep van belanghebbende faalt. De uitspraak van de rechtbank moet (onder aanvulling van de gronden naar aanleiding van het verloop in hoger beroep) worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof ziet gelet op het onder 5.3 tot en met 5.3.2 overwogene geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 16 november 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 22/45
16 november 2023
uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger,
tegen de uitspraak van 15 december 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/2301 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de ontvanger.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Op 23 juli 2019 heeft de ontvanger belanghebbende aangemaand tot het betalen van de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en daarbij aanmaningskosten in rekening
gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger het bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten op nihil gesteld en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 december 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de ontvanger worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Feiten
1. Met dagtekening 9 september 2017 zijn aan eiser voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt en op 22 juni 2019 is daarop uitspraak gedaan. Daarop heeft verweerder eiser meegedeeld dat met de uitspraak op bezwaar het uitstel van betaling was komen te vervallen.
2. Op 23 juli 2019 heeft verweerder eiser aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen en daarbij bij elk van de aanmaningen € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht.
3. Op 31 juli 2019 heeft eiser tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen beroep ingesteld en bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten. Het bezwaarschrift is op 31 juli 2019 bij verweerder ontvangen. Ook op 31 juli 2019 heeft eiser verzocht om uitstel van betaling. Dit verzoek is op 1 augustus 2019 bij verweerder ontvangen.
4. Per brief van 4 februari 2020, bij verweerder ontvangen op 6 februari 2020, heeft eiser verweerder van het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten in gebreke gesteld.
5. Op 12 februari 2020 heeft verweerder, zonder eiser te hebben gehoord, uitspraak op het bezwaar tegen de aanmaningskosten gedaan en daarbij liet bezwaar gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil en aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25, berekend naar één procespunt voor het indienen van liet bezwaarschrift en een wegingsfactor van 0,25.
6. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft verweerder beslist dat geen dwangsom is verbeurd.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
Geschil
In (incidenteel) hoger beroep is uiteindelijk alleen nog in geschil de hoogte van de door de ontvanger toegekende proceskostenvergoeding (meer in het bijzonder, het achterwege blijven van de factor 1,5 voor samenhangende zaken) voor de bezwaarfase.
Overwegingen
1. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding wegens samenhang van de zaken (vier of meer).
2. Op 9 september 2017 zijn vier navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Belanghebbende heeft viermaal bezwaar ingesteld waarbij hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Op 22 juni 2019 heeft de ontvanger viermaal uitspraak op bezwaar gedaan. Per brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger medegedeeld dat het verleende uitstel van betaling was vervallen. Op 23 juli 2019 is belanghebbende aangemaand tot het betalen van de navorderingsaanslagen waarbij bij elk van de aanmaningen, € 7 aan aanmaningskosten in rekening is gebracht. Op 30 juli 2019 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen het opleggen van aanmaningskosten. De ontvanger heeft met de uitspraak van bezwaar de aanmaningskosten verminderd tot nihil en tevens een proceskostenvergoeding toegekend van € 65,25.
3. De ontvanger is van opvatting dat belanghebbende in het geheel geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. De per abuis toegekende vergoeding kan in stand blijven, maar er is geen ruimte voor een verhoging, aldus de ontvanger.
4. Bij brief van 26 juni 2019 heeft de ontvanger belanghebbende medegedeeld dat verleende uitstel van betaling (met betrekking tot de navorderingsaanslagen) is komen te vervallen. Belanghebbende heeft de aanslagen niet binnen de daarvoor gestelde termijn betaald, zodat de ontvanger terecht op 23 juli 2019 aanmaningskosten in heeft rekening gebracht.
Nadat belanghebbende op 31 juli 2019 in beroep is gekomen (en – wederom – uitstel van betaling heeft gekregen) heeft de ontvanger op 12 februari 2020 het bezwaar tegen de aanmaningskosten (naar het Hof begrijpt, per abuis) gegrond verklaard, de aanmaningskosten verminderd tot nihil, en een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend.
5. Nu er geen sprake is van een aan de ontvanger te wijten onrechtmatigheid (alleen een vergissing in het voordeel van belanghebbende) is er geen grond voor de (per abuis) toegekende proceskostenvergoeding. Het bezwaar is ten onrechte gegrond verklaard en belanghebbende had in het geheel geen recht op proceskostenvergoeding. Het Hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de forfaitaire proceskostenvergoeding, meer in het bijzonder de vraag welke factor dient te worden toegepast.
Gelet op het beginsel van behoorlijk bestuur ‘(het verbod op) reformatio in peius’ dient de (per abuis) toegekende vermindering van de aanmaningskosten en de toegekende proceskostenvergoeding in stand te blijven.
6. Het hoger beroep van belanghebbende faalt. De uitspraak van de rechtbank moet (onder aanvulling van de gronden naar aanleiding van het verloop in hoger beroep) worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof ziet gelet op het onder 5.3 tot en met 5.3.2 overwogene geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 16 november 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: