Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-10-17
ECLI:NL:GHAMS:2023:2704
Civiel recht
Hoger beroep
3,440 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.304.976/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9197343 / CV EXPL 21-6773
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2023
inzake
[appellante]
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Westerveld te Amsterdam.
Procesverloop
Partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.
De vrouw is bij dagvaarding van 30 december 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 1 oktober 2021, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. Bij arrest van 25 januari 2022 heeft het hof
een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 16 mei 2022 heeft plaatsgevonden en niet tot een minnelijke regeling heeft geleid.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vordering van de man (het hof begrijpt: in reconventie) alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.
De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in hoger beroep, met compensatie van kosten.
Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 t/m 2.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
Partijen zijn gehuwd op 11 december 1978 te [plaats 1] , Turkije. Bij beschikking van 23 januari 2019 van de rechtbank Amsterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is op 15 mei 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn na de echtscheiding gezamenlijk in de huurwoning aan de [straatnaam] 250B te [plaats 2] (hierna: de woning) blijven wonen. Beide partijen zijn huurder van de woning.
2.3.
De vrouw heeft eind 2019 in kort geding ontruiming van de woning door de man gevorderd. Bij mondeling vonnis van 18 november 2019 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw afgewezen.
2.4.
De vrouw heeft op medische gronden urgentie aangevraagd bij de gemeente [plaats 2] . Bij brief van 10 november 2022 heeft de gemeente de vrouw bericht dat zij niet voor urgentie in aanmerking komt. Daartoe heeft de gemeente overwogen dat de vrouw vanwege haar leeftijd binnen redelijke tijd in staat moet zijn haar woonprobleem op te lossen omdat de wachttijd voor 65+ woningen in sommige seniorencomplexen zeer kort zijn.
Beoordeling
3.1
In eerste aanleg heeft de kantonrechter bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2021 huurder van de woning is. Daartoe heeft hij geoordeeld dat het belang van de man bij toekenning van het huurrecht prevaleert boven dat van de vrouw. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vrouw in hoger beroep op.
3.2
Met haar grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, klaagt de vrouw dat de kantonrechter een aantal feiten verkeerd heeft vastgesteld dan wel belangen verkeerd heeft geduid dan wel gewogen. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter ten onrechte vastgesteld dat de vrouw de man zonder zijn medeweten bij Woningnet heeft ingeschreven en zichzelf niet. Verder heeft de kantonrechter onterecht de belangenafweging vanwege haar mogelijkheden van tijdelijk verblijf bij de zoons van partijen in het voordeel van de man laten uitvallen. Dat de vrouw een betere band met de zoons heeft, betekent niet dat de zoons hun vader op straat zouden laten staan. En tot slot heeft de kantonrechter te weinig gewicht toegekend aan de sociale en medische inbedding van de vrouw in de buurt. Zij heeft een medische noodzaak bij het behoud van de mantelzorg door de medisch geschoolde buren.
3.3.
De man heeft de grieven gemotiveerd bestreden.
3.4.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat, alhoewel beide partijen (die allebei op leeftijd zijn) een groot belang bij de toekenning van het huurrecht hebben, in de omstandigheden van dit geval het belang van de man prevaleert. Noch de man noch de vrouw hebben een dusdanige plaats op de wachtlijst van Woningnet dat zij op korte termijn een (reguliere) woning toegewezen zullen krijgen. Daarmee is de inschrijfduur niet van doorslaggevende betekenis. Als onvoldoende weersproken staat vast dat de vrouw met enige regelmaat voor langere tijd bij de zoon(s) verblijft en dat haar band met hen beter is dan die van de man. Dat maakt het voor haar makkelijker om tijdelijk elders te verblijven dan voor de man. Daar komt bij dat uit (nieuwe) informatie van de gemeente (zie 2.4) blijkt dat de vrouw naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn een woning in een seniorencomplex kan verkrijgen. Daarbij kan zij mogelijk ook aanspraak maken op zorg. De stelling van de vrouw dat er sprake is van een ‘medische noodzaak bij het behoud van de mantelzorg door de medisch geschoolde buren’ is door de man voldoende gemotiveerd betwist en door de vrouw van onvoldoende feitelijke toelichting voorzien, zodat deze niet is komen vast te staan.
3.5.
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
3.6.
Het hof ziet aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, H.T. van der Meer en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023.
.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.304.976/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9197343 / CV EXPL 21-6773
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 oktober 2023
inzake
[appellante]
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G.M. Haring te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Westerveld te Amsterdam.
Procesverloop
Partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.
De vrouw is bij dagvaarding van 30 december 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 1 oktober 2021, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. Bij arrest van 25 januari 2022 heeft het hof
een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 16 mei 2022 heeft plaatsgevonden en niet tot een minnelijke regeling heeft geleid.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vordering van de man (het hof begrijpt: in reconventie) alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.
De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in hoger beroep, met compensatie van kosten.
Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 t/m 2.5 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
Partijen zijn gehuwd op 11 december 1978 te [plaats 1] , Turkije. Bij beschikking van 23 januari 2019 van de rechtbank Amsterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk is op 15 mei 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn na de echtscheiding gezamenlijk in de huurwoning aan de [straatnaam] 250B te [plaats 2] (hierna: de woning) blijven wonen. Beide partijen zijn huurder van de woning.
2.3.
De vrouw heeft eind 2019 in kort geding ontruiming van de woning door de man gevorderd. Bij mondeling vonnis van 18 november 2019 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw afgewezen.
2.4.
De vrouw heeft op medische gronden urgentie aangevraagd bij de gemeente [plaats 2] . Bij brief van 10 november 2022 heeft de gemeente de vrouw bericht dat zij niet voor urgentie in aanmerking komt. Daartoe heeft de gemeente overwogen dat de vrouw vanwege haar leeftijd binnen redelijke tijd in staat moet zijn haar woonprobleem op te lossen omdat de wachttijd voor 65+ woningen in sommige seniorencomplexen zeer kort zijn.
Beoordeling
3.1
In eerste aanleg heeft de kantonrechter bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2021 huurder van de woning is. Daartoe heeft hij geoordeeld dat het belang van de man bij toekenning van het huurrecht prevaleert boven dat van de vrouw. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vrouw in hoger beroep op.
3.2
Met haar grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, klaagt de vrouw dat de kantonrechter een aantal feiten verkeerd heeft vastgesteld dan wel belangen verkeerd heeft geduid dan wel gewogen. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter ten onrechte vastgesteld dat de vrouw de man zonder zijn medeweten bij Woningnet heeft ingeschreven en zichzelf niet. Verder heeft de kantonrechter onterecht de belangenafweging vanwege haar mogelijkheden van tijdelijk verblijf bij de zoons van partijen in het voordeel van de man laten uitvallen. Dat de vrouw een betere band met de zoons heeft, betekent niet dat de zoons hun vader op straat zouden laten staan. En tot slot heeft de kantonrechter te weinig gewicht toegekend aan de sociale en medische inbedding van de vrouw in de buurt. Zij heeft een medische noodzaak bij het behoud van de mantelzorg door de medisch geschoolde buren.
3.3.
De man heeft de grieven gemotiveerd bestreden.
3.4.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat, alhoewel beide partijen (die allebei op leeftijd zijn) een groot belang bij de toekenning van het huurrecht hebben, in de omstandigheden van dit geval het belang van de man prevaleert. Noch de man noch de vrouw hebben een dusdanige plaats op de wachtlijst van Woningnet dat zij op korte termijn een (reguliere) woning toegewezen zullen krijgen. Daarmee is de inschrijfduur niet van doorslaggevende betekenis. Als onvoldoende weersproken staat vast dat de vrouw met enige regelmaat voor langere tijd bij de zoon(s) verblijft en dat haar band met hen beter is dan die van de man. Dat maakt het voor haar makkelijker om tijdelijk elders te verblijven dan voor de man. Daar komt bij dat uit (nieuwe) informatie van de gemeente (zie 2.4) blijkt dat de vrouw naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn een woning in een seniorencomplex kan verkrijgen. Daarbij kan zij mogelijk ook aanspraak maken op zorg. De stelling van de vrouw dat er sprake is van een ‘medische noodzaak bij het behoud van de mantelzorg door de medisch geschoolde buren’ is door de man voldoende gemotiveerd betwist en door de vrouw van onvoldoende feitelijke toelichting voorzien, zodat deze niet is komen vast te staan.
3.5.
De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
3.6.
Het hof ziet aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, H.T. van der Meer en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023.
.