Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-09-05
ECLI:NL:GHAMS:2023:2475
Civiel recht
Hoger beroep
7,022 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.310.566/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/705915/HA ZA 21-728
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 september 2023
inzake
PALLADAYNE INTERNATIONAL ASSET MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. D.J.B. Bosscher te Halfweg,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.P. van Someren Gréve te Amsterdam.
Partijen worden hierna Piam en [geïntimeerde] genoemd.
Procesverloop
Piam is bij dagvaarding van 3 mei 2022 in hoger beroep gekomen van een mondeling vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Piam als gedaagde. Op 9 mei 2022 heeft [geïntimeerde] een anticipatie-exploot doen uitbrengen.
Partijen hebben hierna de volgende stukken ingediend:
memorie van grieven, met producties,
memorie van antwoord.
Op 26 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten door hun hiervoor genoemde advocaten doen toelichten, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Piam heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor recht zal verklaren dat Piam geen vergoeding verschuldigd is voor de werkzaamheden van [geïntimeerde] tot en met de mondelinge behandeling in 2021, en voor de werkzaamheden daarna gehouden is de helft van het in rekening gebrachte bedrag te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, naar het hof begrijpt, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
Piam heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.
Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
( a) Piam is een vermogensbeheerder, [geïntimeerde] een advocatenkantoor, gespecialiseerd op het gebied van (internationale) sanctieregelgeving en exportbeperkingen.
( b) In de periode van november 2020 tot en met april 2021 heeft [geïntimeerde] voor Piam op grond van een door haar opgestelde en door Piam voor akkoord getekende opdrachtbevestiging van 21 november 2020 (verder: de overeenkomst) advieswerkzaamheden verricht, onder meer in het kader van een door Piam en Upper Brook (I) Ltd. voor de rechtbank Amsterdam gevoerde procedure.
( c) Volgens de overeenkomst bedroeg het uurtarief van [geïntimeerde] € 375,00 exclusief btw. Voor ‘third party screenings’ is een bedrag van € 300,00 exclusief btw per uur overeengekomen. Facturering vond maandelijks plaats.
( d) Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden (verder: AV) van [geïntimeerde] van toepassing. Deze luiden, voor zover van belang, als volgt:
“3. [geïntimeerde] B.V. shall be obliged to exercise the due care that, in the given circumstances, may reasonably be expected from it with respect to the services provided by or on its behalf. Achieving the intended result is not guaranteed by [geïntimeerde] B.V. (…)
(…)
6.1.
A claim in respect of an alleged failure under paragraph 3 on the part of [geïntimeerde] B.V. will not be sustainable if the client fails to protest within sixty (60) days after he has discovered or reasonably could have discovered such failure. In any event, any claim for damages or any other claim in respect of an alleged failure on the part of [geïntimeerde] B.V. shall lapse twelve (12) months after the event from which the damage directly or indirectly resulted and for which [geïntimeerde] B.V. is responsible.”
( e) [geïntimeerde] heeft Piam in verband met de verrichte werkzaamheden in de periode van december 2020 tot en met mei 2021 zeven facturen gestuurd, dit tot een totaalbedrag van € 437.490,16 inclusief btw. Piam heeft de vier laatste facturen tot een totaalbedrag van € 261.610,91 inclusief btw aanvankelijk geheel onbetaald gelaten. Door partijen in juni en juli 2021 over de betaling van de openstaande facturen gevoerde onderhandelingen hebben – behoudens een door Piam op 9 juli 2021 gedane betaling van € 20.000,00 – geen succes gehad.
( f) In verband met haar vordering ter zake heeft [geïntimeerde] na verkregen verlof op 19 en 26 juli 2021 onder de bank van Piam conservatoir beslag gelegd.
Beoordeling
Inleiding
3.1.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] , voor zover in hoger belang van belang, van Piam de betaling gevorderd van de openstaande facturen ten belope van € 241.610,90 en een bedrag van € 3.083,06 wegens buitengerechtelijke incassokosten, beide vermeerderd en verder te vermeerderen met wettelijke handelsrente, alsmede van een bedrag van € 1.156,85 wegens gemaakte beslagkosten, met wettelijke rente. Na verweer van Piam heeft de rechtbank de vordering bij het bestreden vonnis toegewezen en Piam in de proceskosten verwezen.
3.2.
Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust komt Piam in dit hoger beroep op. De door haar aangevoerde grieven kunnen gezamenlijk worden besproken.
Excessief declareren
3.3.1.
Piam heeft allereerst aangevoerd dat [geïntimeerde] excessief heeft gedeclareerd, dat Piam daartegen (tijdig) heeft geprotesteerd, dat excessief declareren een gebrek in de nakoming van de overeenkomst is dat met zich brengt dat – waar [geïntimeerde] niet bereid was haar declaraties te corrigeren – verzuim intreedt zonder ingebrekestelling en dat Piam om die reden gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, wat zij bij haar memorie van grieven ook heeft gedaan.
3.3.2.
Het hof stelt voorop dat Piam op grond van de overeenkomst in beginsel gehouden is de door [geïntimeerde] gedeclareerde uren te betalen. Weliswaar is denkbaar dat [geïntimeerde] excessief heeft gedeclareerd, maar dat kan dan niet worden beschouwd als een tekortkoming in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (de adviseringswerkzaamheden). [geïntimeerde] kan dus op dit punt niet in verzuim zijn en Piam kan daarom niet op die grond de overeenkomst ontbinden. Echter, voor zover komt vast te staan dat [geïntimeerde] gedeclareerde uren in feite niet heeft gemaakt of tegen een te hoog tarief in rekening heeft gebracht, heeft [geïntimeerde] onder de overeenkomst geen recht op betaling van de desbetreffende bedragen. Het hof zal het verweer van Piam mede in deze zin opvatten en bespreken.
3.3.3.
Het hof verwerpt, voorts, de stelling van [geïntimeerde] dat de klacht van Piam op dit punt op grond van artikel 6.1 van de AV te laat is. Deze bepaling, beschouwd in verband met artikel 3 AV, waarnaar die verwijst, heeft namelijk slechts betrekking op klachten met betrekking tot de kwaliteit van het door [geïntimeerde] geleverde werk, niet op de omvang van haar declaraties.
3.3.4.
Piam verwijt [geïntimeerde] meer concreet dat laatstgenoemde nodeloos met meerdere partners aan de zaak heeft gewerkt waardoor zich doublures en interne overleggen zullen hebben voorgedaan. Bovendien gaf [geïntimeerde] bij vergaderingen en rechtszittingen, waaronder de zitting op 12 januari 2021 in de hiervoor onder 2 (b) genoemde zaak, steeds acte de présence met meerdere partners. De zaak was echter niet zo ingewikkeld dat dit noodzakelijk was. Piam stelt tijdens een gesprek met [geïntimeerde] in mei 2021 tegen dit excessieve declareren te hebben geprotesteerd.
3.3.5.
In de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail correspondentie tussen partijen van juni en juli 2021 is door Piam op geen enkele wijze een beroep gedaan op excessief declareren door [geïntimeerde] in voormelde zin of gerefereerd aan een tussen partijen gevoerd gesprek in mei 2021 waarin dit aan de orde zou zijn geweest. Uit die correspondentie blijkt slechts dat Piam een korting op alle facturen van 17% wenste en zich niet wilde vastleggen op een ‘strak betalingsschema’. Tegen deze achtergrond acht het hof de – door [geïntimeerde] betwiste – stelling van Piam dat zij in een gesprek in mei 2021 heeft geprotesteerd tegen het in haar ogen excessief declareren door [geïntimeerde] onvoldoende feitelijk toegelicht, zodat aan deze stelling wordt voorbijgegaan. Om die reden kan aan bewijslevering niet worden toegekomen. Het bewijsaanbod van Piam op dit punt wordt dan ook verworpen.
3.3.6.
Piam heeft – mede in aanmerking genomen dat het de overeenkomst uitging van een uurloon van € 375,00, het tarief van de partners van [geïntimeerde] – nagelaten uit te leggen waarom zij naar aanleiding van de uitvoerig gespecificeerde facturen van [geïntimeerde] tot aan dit geding nooit heeft geprotesteerd tegen het door haar gestelde excessieve declareren door [geïntimeerde] . Als zij (echt) meende dat [geïntimeerde] haar te veel en in afwijking van de overeenkomst in rekening bracht, had een dergelijk protest voor de hand gelegen. Verder is niet gesteld of gebleken dat Piam [geïntimeerde] er ooit op heeft aangesproken dat deze met te veel mensen, in het bijzonder partners, op vergaderingen en/of zittingen aanwezig was. Het hof passeert dit verweer dan ook als onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Bovendien heeft Piam in de gegeven omstandigheden – naar in de stellingen van [geïntimeerde] besloten ligt – haar recht verwerkt zich op het door haar gestelde excessieve declareren door [geïntimeerde] te beroepen: dit beroep acht het hof in de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Inhoudelijk wordt – ten overvloede – nog overwogen dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft gesteld dat Piam steeds expliciet heeft aangegeven wie van [geïntimeerde] bij besprekingen moest aantreden en dat Piam er zelf opdracht toe heeft gegeven dat drie partners van [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling op 12 januari 2021 aanwezig waren. Piam heeft dit, hoewel daarna nog aan het woord geweest, niet betwist.
3.3.7.
De conclusie is dat het verweer van Piam ten aanzien van de omvang van de declaraties van [geïntimeerde] wordt verworpen. De grieven falen dan ook in zoverre.
Ondermaats presteren
3.4.1.
Verder heeft Piam betoogd dat [geïntimeerde] bij haar dienstverlening aan Piam is tekortgeschoten. Zij verwijt [geïntimeerde] dat zij noch in haar notities noch tijdens de mondelinge behandeling in meergenoemde zaak heeft gewezen op een relevante opinie van de Europese Commissie en/of van belang zijnde binnen- en buitenlandse jurisprudentie. Ook heeft [geïntimeerde] volgens Piam slechts beperkt jurisprudentieonderzoek gedaan en dan ook nog eens door junior medewerkers. Omdat nakoming in zoverre blijvend onmogelijk is, is [geïntimeerde] op dit punt (zonder ingebrekestelling) in verzuim en was Piam, zo stelt zij, gerechtigd de overeenkomst te ontbinden, wat zij bij haar memorie van grieven, ook op deze grond, heeft gedaan.
3.4.2.
Het hof stelt voorop dat ook hier geldt dat uit niets – in het bijzonder niet uit de onder 3.5.5 genoemde correspondentie – blijkt dat Piam [geïntimeerde] vóór deze procedure erop heeft aangesproken dat en waarom haar dienstverlening onder de maat is geweest. Meer concreet is niet gesteld of gebleken dat Piam deze kritiek jegens [geïntimeerde] heeft geuit nadat de rechtbank op 24 februari 2021 in de onder 2 (b) genoemde zaak een voor Piam ongunstig vonnis had gewezen. Integendeel, Piam heeft uitdrukkelijk gesteld dat er niet van kan worden uitgegaan dat dit vonnis anders zou zijn geweest, indien [geïntimeerde] wel naar behoren zou hebben gehandeld. Bovendien heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gesteld dat Piam [geïntimeerde] heeft gevraagd haar te assisteren bij haar hoger beroep tegen dat vonnis, hetgeen bij de thans door Piam naar voren gebrachte kritiek niet bepaald voor de hand lag. Piam heeft, hoewel nadien nog aan het woord geweest, niet betwist dat zij [geïntimeerde] om hulp heeft gevraagd in het kader van voormeld hoger beroep. Tegen deze achtergrond acht het hof ook deze klacht/dit verweer van Piam onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis en verklaart Piam niet-ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering;
veroordeelt Piam in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 5.771,87 aan verschotten, € 8.632,00 aan salaris van de advocaat en € 173,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 90,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, R.J.M. Smit en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 september 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.310.566/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/705915/HA ZA 21-728
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 september 2023
inzake
PALLADAYNE INTERNATIONAL ASSET MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. D.J.B. Bosscher te Halfweg,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.P. van Someren Gréve te Amsterdam.
Partijen worden hierna Piam en [geïntimeerde] genoemd.
Procesverloop
Piam is bij dagvaarding van 3 mei 2022 in hoger beroep gekomen van een mondeling vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2022, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Piam als gedaagde. Op 9 mei 2022 heeft [geïntimeerde] een anticipatie-exploot doen uitbrengen.
Partijen hebben hierna de volgende stukken ingediend:
memorie van grieven, met producties,
memorie van antwoord.
Op 26 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten door hun hiervoor genoemde advocaten doen toelichten, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Piam heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor recht zal verklaren dat Piam geen vergoeding verschuldigd is voor de werkzaamheden van [geïntimeerde] tot en met de mondelinge behandeling in 2021, en voor de werkzaamheden daarna gehouden is de helft van het in rekening gebrachte bedrag te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, naar het hof begrijpt, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten.
Piam heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.
Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
( a) Piam is een vermogensbeheerder, [geïntimeerde] een advocatenkantoor, gespecialiseerd op het gebied van (internationale) sanctieregelgeving en exportbeperkingen.
( b) In de periode van november 2020 tot en met april 2021 heeft [geïntimeerde] voor Piam op grond van een door haar opgestelde en door Piam voor akkoord getekende opdrachtbevestiging van 21 november 2020 (verder: de overeenkomst) advieswerkzaamheden verricht, onder meer in het kader van een door Piam en Upper Brook (I) Ltd. voor de rechtbank Amsterdam gevoerde procedure.
( c) Volgens de overeenkomst bedroeg het uurtarief van [geïntimeerde] € 375,00 exclusief btw. Voor ‘third party screenings’ is een bedrag van € 300,00 exclusief btw per uur overeengekomen. Facturering vond maandelijks plaats.
( d) Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden (verder: AV) van [geïntimeerde] van toepassing. Deze luiden, voor zover van belang, als volgt:
“3. [geïntimeerde] B.V. shall be obliged to exercise the due care that, in the given circumstances, may reasonably be expected from it with respect to the services provided by or on its behalf. Achieving the intended result is not guaranteed by [geïntimeerde] B.V. (…)
(…)
6.1.
A claim in respect of an alleged failure under paragraph 3 on the part of [geïntimeerde] B.V. will not be sustainable if the client fails to protest within sixty (60) days after he has discovered or reasonably could have discovered such failure. In any event, any claim for damages or any other claim in respect of an alleged failure on the part of [geïntimeerde] B.V. shall lapse twelve (12) months after the event from which the damage directly or indirectly resulted and for which [geïntimeerde] B.V. is responsible.”
( e) [geïntimeerde] heeft Piam in verband met de verrichte werkzaamheden in de periode van december 2020 tot en met mei 2021 zeven facturen gestuurd, dit tot een totaalbedrag van € 437.490,16 inclusief btw. Piam heeft de vier laatste facturen tot een totaalbedrag van € 261.610,91 inclusief btw aanvankelijk geheel onbetaald gelaten. Door partijen in juni en juli 2021 over de betaling van de openstaande facturen gevoerde onderhandelingen hebben – behoudens een door Piam op 9 juli 2021 gedane betaling van € 20.000,00 – geen succes gehad.
( f) In verband met haar vordering ter zake heeft [geïntimeerde] na verkregen verlof op 19 en 26 juli 2021 onder de bank van Piam conservatoir beslag gelegd.
Beoordeling
Inleiding
3.1.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] , voor zover in hoger belang van belang, van Piam de betaling gevorderd van de openstaande facturen ten belope van € 241.610,90 en een bedrag van € 3.083,06 wegens buitengerechtelijke incassokosten, beide vermeerderd en verder te vermeerderen met wettelijke handelsrente, alsmede van een bedrag van € 1.156,85 wegens gemaakte beslagkosten, met wettelijke rente. Na verweer van Piam heeft de rechtbank de vordering bij het bestreden vonnis toegewezen en Piam in de proceskosten verwezen.
3.2.
Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust komt Piam in dit hoger beroep op. De door haar aangevoerde grieven kunnen gezamenlijk worden besproken.
Excessief declareren
3.3.1.
Piam heeft allereerst aangevoerd dat [geïntimeerde] excessief heeft gedeclareerd, dat Piam daartegen (tijdig) heeft geprotesteerd, dat excessief declareren een gebrek in de nakoming van de overeenkomst is dat met zich brengt dat – waar [geïntimeerde] niet bereid was haar declaraties te corrigeren – verzuim intreedt zonder ingebrekestelling en dat Piam om die reden gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden, wat zij bij haar memorie van grieven ook heeft gedaan.
3.3.2.
Het hof stelt voorop dat Piam op grond van de overeenkomst in beginsel gehouden is de door [geïntimeerde] gedeclareerde uren te betalen. Weliswaar is denkbaar dat [geïntimeerde] excessief heeft gedeclareerd, maar dat kan dan niet worden beschouwd als een tekortkoming in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen (de adviseringswerkzaamheden). [geïntimeerde] kan dus op dit punt niet in verzuim zijn en Piam kan daarom niet op die grond de overeenkomst ontbinden. Echter, voor zover komt vast te staan dat [geïntimeerde] gedeclareerde uren in feite niet heeft gemaakt of tegen een te hoog tarief in rekening heeft gebracht, heeft [geïntimeerde] onder de overeenkomst geen recht op betaling van de desbetreffende bedragen. Het hof zal het verweer van Piam mede in deze zin opvatten en bespreken.
3.3.3.
Het hof verwerpt, voorts, de stelling van [geïntimeerde] dat de klacht van Piam op dit punt op grond van artikel 6.1 van de AV te laat is. Deze bepaling, beschouwd in verband met artikel 3 AV, waarnaar die verwijst, heeft namelijk slechts betrekking op klachten met betrekking tot de kwaliteit van het door [geïntimeerde] geleverde werk, niet op de omvang van haar declaraties.
3.3.4.
Piam verwijt [geïntimeerde] meer concreet dat laatstgenoemde nodeloos met meerdere partners aan de zaak heeft gewerkt waardoor zich doublures en interne overleggen zullen hebben voorgedaan. Bovendien gaf [geïntimeerde] bij vergaderingen en rechtszittingen, waaronder de zitting op 12 januari 2021 in de hiervoor onder 2 (b) genoemde zaak, steeds acte de présence met meerdere partners. De zaak was echter niet zo ingewikkeld dat dit noodzakelijk was. Piam stelt tijdens een gesprek met [geïntimeerde] in mei 2021 tegen dit excessieve declareren te hebben geprotesteerd.
3.3.5.
In de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail correspondentie tussen partijen van juni en juli 2021 is door Piam op geen enkele wijze een beroep gedaan op excessief declareren door [geïntimeerde] in voormelde zin of gerefereerd aan een tussen partijen gevoerd gesprek in mei 2021 waarin dit aan de orde zou zijn geweest. Uit die correspondentie blijkt slechts dat Piam een korting op alle facturen van 17% wenste en zich niet wilde vastleggen op een ‘strak betalingsschema’. Tegen deze achtergrond acht het hof de – door [geïntimeerde] betwiste – stelling van Piam dat zij in een gesprek in mei 2021 heeft geprotesteerd tegen het in haar ogen excessief declareren door [geïntimeerde] onvoldoende feitelijk toegelicht, zodat aan deze stelling wordt voorbijgegaan. Om die reden kan aan bewijslevering niet worden toegekomen. Het bewijsaanbod van Piam op dit punt wordt dan ook verworpen.
3.3.6.
Piam heeft – mede in aanmerking genomen dat het de overeenkomst uitging van een uurloon van € 375,00, het tarief van de partners van [geïntimeerde] – nagelaten uit te leggen waarom zij naar aanleiding van de uitvoerig gespecificeerde facturen van [geïntimeerde] tot aan dit geding nooit heeft geprotesteerd tegen het door haar gestelde excessieve declareren door [geïntimeerde] . Als zij (echt) meende dat [geïntimeerde] haar te veel en in afwijking van de overeenkomst in rekening bracht, had een dergelijk protest voor de hand gelegen. Verder is niet gesteld of gebleken dat Piam [geïntimeerde] er ooit op heeft aangesproken dat deze met te veel mensen, in het bijzonder partners, op vergaderingen en/of zittingen aanwezig was. Het hof passeert dit verweer dan ook als onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Bovendien heeft Piam in de gegeven omstandigheden – naar in de stellingen van [geïntimeerde] besloten ligt – haar recht verwerkt zich op het door haar gestelde excessieve declareren door [geïntimeerde] te beroepen: dit beroep acht het hof in de hiervoor geschetste omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Inhoudelijk wordt – ten overvloede – nog overwogen dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft gesteld dat Piam steeds expliciet heeft aangegeven wie van [geïntimeerde] bij besprekingen moest aantreden en dat Piam er zelf opdracht toe heeft gegeven dat drie partners van [geïntimeerde] bij de mondelinge behandeling op 12 januari 2021 aanwezig waren. Piam heeft dit, hoewel daarna nog aan het woord geweest, niet betwist.
3.3.7.
De conclusie is dat het verweer van Piam ten aanzien van de omvang van de declaraties van [geïntimeerde] wordt verworpen. De grieven falen dan ook in zoverre.
Ondermaats presteren
3.4.1.
Verder heeft Piam betoogd dat [geïntimeerde] bij haar dienstverlening aan Piam is tekortgeschoten. Zij verwijt [geïntimeerde] dat zij noch in haar notities noch tijdens de mondelinge behandeling in meergenoemde zaak heeft gewezen op een relevante opinie van de Europese Commissie en/of van belang zijnde binnen- en buitenlandse jurisprudentie. Ook heeft [geïntimeerde] volgens Piam slechts beperkt jurisprudentieonderzoek gedaan en dan ook nog eens door junior medewerkers. Omdat nakoming in zoverre blijvend onmogelijk is, is [geïntimeerde] op dit punt (zonder ingebrekestelling) in verzuim en was Piam, zo stelt zij, gerechtigd de overeenkomst te ontbinden, wat zij bij haar memorie van grieven, ook op deze grond, heeft gedaan.
3.4.2.
Het hof stelt voorop dat ook hier geldt dat uit niets – in het bijzonder niet uit de onder 3.5.5 genoemde correspondentie – blijkt dat Piam [geïntimeerde] vóór deze procedure erop heeft aangesproken dat en waarom haar dienstverlening onder de maat is geweest. Meer concreet is niet gesteld of gebleken dat Piam deze kritiek jegens [geïntimeerde] heeft geuit nadat de rechtbank op 24 februari 2021 in de onder 2 (b) genoemde zaak een voor Piam ongunstig vonnis had gewezen. Integendeel, Piam heeft uitdrukkelijk gesteld dat er niet van kan worden uitgegaan dat dit vonnis anders zou zijn geweest, indien [geïntimeerde] wel naar behoren zou hebben gehandeld. Bovendien heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gesteld dat Piam [geïntimeerde] heeft gevraagd haar te assisteren bij haar hoger beroep tegen dat vonnis, hetgeen bij de thans door Piam naar voren gebrachte kritiek niet bepaald voor de hand lag. Piam heeft, hoewel nadien nog aan het woord geweest, niet betwist dat zij [geïntimeerde] om hulp heeft gevraagd in het kader van voormeld hoger beroep. Tegen deze achtergrond acht het hof ook deze klacht/dit verweer van Piam onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis en verklaart Piam niet-ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering;
veroordeelt Piam in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op € 5.771,87 aan verschotten, € 8.632,00 aan salaris van de advocaat en € 173,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 90,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, R.J.M. Smit en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 september 2023.