Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-10-19
ECLI:NL:GHAMS:2023:2432
Strafrecht
Hoger beroep
4,490 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000274-23
datum uitspraak: 19 oktober 2023
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-223323-20 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1988,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei en 5 oktober 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
een of meerdere (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 19 februari 2020 te Groningen en/of Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer01] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (8840 euro), in elk geval enig goed, hebbende die onbekend gebleven personen met vorenomschreven oogmerk, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zakelijk weergegeven:
- die [slachtoffer01] gebeld (met een gespoofd telefoonnummer) en/of
- een valse naam gebruikt, te weten [naam01] , zijnde een medewerker van ABN Amro bank en/of
- een bankrekeningnummer doorgegeven en/of geadviseerd geld over te maken naar dat rekeningnummer waardoor voornoemde [slachtoffer01] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 februari 2020 te Groningen en/of Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, pinpas en/of zijn pincode, ter beschikking te stellen;
subsidiair
hij op of omstreeks 19 februari 2020, te Hoorn en/of Groningen, althans in Nederland, (van) een of meer geldbedragen (van in het totaal 8840 euro)
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die geldbedrag(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had(den)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte niet hoefde te vermoeden dat de op de op zijn naam staande rekening gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Het verhaal van [naam02] was geloofwaardig.
Het hof overweegt als volgt.
Op 19 februari 2020 zijn door de aangever, naar aanleiding van een telefoontje van een persoon die zich voordeed als een medewerker van de ABN AMRO bank, twee overboekingen gedaan naar een op naam van de verdachte staande bankrekening, voor een totaalbedrag van € 8.840,00. De overgemaakte geldbedragen zijn zeer kort daarna van de rekening van de verdachte afgehaald middels pintransacties.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn pinpas had gegeven aan ene [naam02] , een jongen uit Assen die hij kent via een vriend. De verdachte had [naam02] een week voor het feit gezien en deze vroeg hem of hij een rekening had die hij weinig gebruikt. [naam02] liet een app met bitcoins zien met een naam erop en vertelde dat hij die bitcoins graag wilde laten uitbetalen. [naam02] wilde daar de rekening van de verdachte voor gebruiken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij daar € 150,00 voor zou krijgen. Later heeft [naam02] contact gezocht met de verdachte. Ze spraken af bij het station in Groningen om daar de pinpas (met pincode) te overhandigen. Ook moest verdachte zijn limiet verhogen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de op zijn bankrekening gestorte bedragen niet voor het uitbetalen van bitcoins zou worden gebruikt, maar dat het zou gaan om geld afkomstig uit enig misdrijf.
Door aan iemand die hij slechts via-via kende zijn bankrekening ter beschikking te stellen en zijn pinpas met pincode af te geven en daarbij geen nader onderzoek te doen en evenmin kritische vragen te stellen omtrent waarom dit niet met een rekening van die betreffende persoon zelf kan, is de verdachte zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig geweest dat hij zich hierdoor (ten minste) schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 februari 2020, in Nederland, geldbedragen van in totaal 8840 euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
40 (veertig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis
.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. R.P. den Otter en mr. W.S. Ludwig , in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2023.
mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000274-23
datum uitspraak: 19 oktober 2023
TEGENSPRAAK (279 Sv)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-223323-20 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1988,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei en 5 oktober 2023.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
een of meerdere (onbekend gebleven) personen, op of omstreeks 19 februari 2020 te Groningen en/of Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer01] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (8840 euro), in elk geval enig goed, hebbende die onbekend gebleven personen met vorenomschreven oogmerk, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zakelijk weergegeven:
- die [slachtoffer01] gebeld (met een gespoofd telefoonnummer) en/of
- een valse naam gebruikt, te weten [naam01] , zijnde een medewerker van ABN Amro bank en/of
- een bankrekeningnummer doorgegeven en/of geadviseerd geld over te maken naar dat rekeningnummer waardoor voornoemde [slachtoffer01] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 19 februari 2020 te Groningen en/of Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, pinpas en/of zijn pincode, ter beschikking te stellen;
subsidiair
hij op of omstreeks 19 februari 2020, te Hoorn en/of Groningen, althans in Nederland, (van) een of meer geldbedragen (van in het totaal 8840 euro)
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die geldbedrag(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had(den)
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte niet hoefde te vermoeden dat de op de op zijn naam staande rekening gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Het verhaal van [naam02] was geloofwaardig.
Het hof overweegt als volgt.
Op 19 februari 2020 zijn door de aangever, naar aanleiding van een telefoontje van een persoon die zich voordeed als een medewerker van de ABN AMRO bank, twee overboekingen gedaan naar een op naam van de verdachte staande bankrekening, voor een totaalbedrag van € 8.840,00. De overgemaakte geldbedragen zijn zeer kort daarna van de rekening van de verdachte afgehaald middels pintransacties.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn pinpas had gegeven aan ene [naam02] , een jongen uit Assen die hij kent via een vriend. De verdachte had [naam02] een week voor het feit gezien en deze vroeg hem of hij een rekening had die hij weinig gebruikt. [naam02] liet een app met bitcoins zien met een naam erop en vertelde dat hij die bitcoins graag wilde laten uitbetalen. [naam02] wilde daar de rekening van de verdachte voor gebruiken. De verdachte heeft verder verklaard dat hij daar € 150,00 voor zou krijgen. Later heeft [naam02] contact gezocht met de verdachte. Ze spraken af bij het station in Groningen om daar de pinpas (met pincode) te overhandigen. Ook moest verdachte zijn limiet verhogen.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de op zijn bankrekening gestorte bedragen niet voor het uitbetalen van bitcoins zou worden gebruikt, maar dat het zou gaan om geld afkomstig uit enig misdrijf.
Door aan iemand die hij slechts via-via kende zijn bankrekening ter beschikking te stellen en zijn pinpas met pincode af te geven en daarbij geen nader onderzoek te doen en evenmin kritische vragen te stellen omtrent waarom dit niet met een rekening van die betreffende persoon zelf kan, is de verdachte zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig geweest dat hij zich hierdoor (ten minste) schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 februari 2020, in Nederland, geldbedragen van in totaal 8840 euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
40 (veertig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis
.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. R.P. den Otter en mr. W.S. Ludwig , in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2023.
mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.