Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-09-12
ECLI:NL:GHAMS:2023:2141
Strafrecht
Hoger beroep
5,412 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000129-23
datum uitspraak: 12 september 2023
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-261280-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1988,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] hoofdagent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte en/of ter aanhouding van verdachte, door zich (terwijl hij door die [benadeelde] gefixeerd was) in de richting van die [benadeelde] te draaien en in de (linker)hand van die [benadeelde] te bijten en (vervolgens) zich (met kracht) van die [benadeelde] af/weg te draaien en/of die [benadeelde] weg te duwen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten (meerdere) (zwaar) gekneusde en/of gebroken ribben en/of een open (bijt)wond in de (linker)hand ten gevolge heeft gehad;
en/of
Hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [benadeelde] hoofdagent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [benadeelde] in de (linker)hand te bijten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsmiddelen
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Deze bewijsmiddelen neemt het hof over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof:
bepaalt dat de fotobijlagen bij het proces-verbaal aangifte niet tot het bewijs worden gebezigd, zoals dat door de politierechter is gedaan;
begrijpt dat in bewijsmiddel 2 met de passage: “Ik ben werkzaam als medewerker recherche bij de districtsrecherche Oost te Amsterdam”, wordt bedoeld dat aangever [benadeelde] werkzaam is als agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 oktober 2022 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich, terwijl hij door [benadeelde] gefixeerd was, in de richting van [benadeelde] te draaien en in de linkerhand van [benadeelde] te bijten en zich met kracht van [benadeelde] weg te draaien, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en een open bijtwond in de linkerhand ten gevolge heeft gehad;
en
hij op 11 oktober 2022 te Amsterdam, een ambtenaar, [benadeelde] agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door [benadeelde] in de linkerhand te bijten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
en
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 63 dagen met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de eendaadse samenloop van wederspannigheid en mishandeling. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een agent in de uitoefening van zijn functie heeft tegenwerkt, door tijdens zijn aanhouding in de hand van de agent te bijten en zich met kracht van hem weg te draaien, terwijl de agent hem vast had. Daarbij heeft de agent ernstig letsel opgelopen in de vorm van gebroken ribben en een open bijtwond. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de agent. Bovendien heeft de verdachte door het plegen van wederspannigheid niet alleen het ambtelijk gezag ondermijnd, maar ook de openbare orde verstoord.
Gelet op het ernst van de feiten ligt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur in de rede.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf let het hof op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit het Consult Rechtspleging van 13 oktober 2022. De verdachte is sinds
4 maanden in Nederland en is in 2018-2019 klinisch opgenomen geweest in Roemenië, alwaar de diagnose schizofrenie werd vastgesteld. Tijdens het consult waren er aanwijzingen voor paranoïdie ten aanzien van de handhaving en politie en was er sprake van betrekkingsideeën en verhoogde angst. Het hof houdt daar in strafmatigende zin rekening mee.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. N.E. Kwak en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2023.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000129-23
datum uitspraak: 12 september 2023
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-261280-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1988,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] hoofdagent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte en/of ter aanhouding van verdachte, door zich (terwijl hij door die [benadeelde] gefixeerd was) in de richting van die [benadeelde] te draaien en in de (linker)hand van die [benadeelde] te bijten en (vervolgens) zich (met kracht) van die [benadeelde] af/weg te draaien en/of die [benadeelde] weg te duwen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten (meerdere) (zwaar) gekneusde en/of gebroken ribben en/of een open (bijt)wond in de (linker)hand ten gevolge heeft gehad;
en/of
Hij op of omstreeks 11 oktober 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [benadeelde] hoofdagent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [benadeelde] in de (linker)hand te bijten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsmiddelen
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Deze bewijsmiddelen neemt het hof over uit het proces-verbaal dat één geheel uitmaakt met de aantekening van het mondelinge vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het hof:
bepaalt dat de fotobijlagen bij het proces-verbaal aangifte niet tot het bewijs worden gebezigd, zoals dat door de politierechter is gedaan;
begrijpt dat in bewijsmiddel 2 met de passage: “Ik ben werkzaam als medewerker recherche bij de districtsrecherche Oost te Amsterdam”, wordt bedoeld dat aangever [benadeelde] werkzaam is als agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 oktober 2022 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde] agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich, terwijl hij door [benadeelde] gefixeerd was, in de richting van [benadeelde] te draaien en in de linkerhand van [benadeelde] te bijten en zich met kracht van [benadeelde] weg te draaien, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en een open bijtwond in de linkerhand ten gevolge heeft gehad;
en
hij op 11 oktober 2022 te Amsterdam, een ambtenaar, [benadeelde] agent bij de Nationale Politie, Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door [benadeelde] in de linkerhand te bijten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.
en
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 63 dagen met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de eendaadse samenloop van wederspannigheid en mishandeling. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij een agent in de uitoefening van zijn functie heeft tegenwerkt, door tijdens zijn aanhouding in de hand van de agent te bijten en zich met kracht van hem weg te draaien, terwijl de agent hem vast had. Daarbij heeft de agent ernstig letsel opgelopen in de vorm van gebroken ribben en een open bijtwond. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de agent. Bovendien heeft de verdachte door het plegen van wederspannigheid niet alleen het ambtelijk gezag ondermijnd, maar ook de openbare orde verstoord.
Gelet op het ernst van de feiten ligt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur in de rede.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf let het hof op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit het Consult Rechtspleging van 13 oktober 2022. De verdachte is sinds
4 maanden in Nederland en is in 2018-2019 klinisch opgenomen geweest in Roemenië, alwaar de diagnose schizofrenie werd vastgesteld. Tijdens het consult waren er aanwijzingen voor paranoïdie ten aanzien van de handhaving en politie en was er sprake van betrekkingsideeën en verhoogde angst. Het hof houdt daar in strafmatigende zin rekening mee.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 925,00 (negenhonderdvijfentwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. N.E. Kwak en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2023.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]