Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-08-31
ECLI:NL:GHAMS:2023:2027
Strafrecht
Hoger beroep
2,362 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003113-22
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 82-241612-21 tegen:
[verdachte]
,
gevestigd te [verdachte].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde geldboete. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00, waarvan € 300,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gelet op de omstandigheid dat de stukken inmiddels zijn gedeponeerd en hij begrip heeft voor de bijzondere omstandigheden van het geval, te weten de juridische problemen van de verdachte in Amerika.
De gevolmachtigde heeft ter zitting meegedeeld dat hij zich kan vinden in de vordering van de advocaat-generaal. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vennootschap in een procedure was verwikkeld met Amerikanen en dat onder meer in verband daarmee de jaarstukken pas na een settlement in 2018 konden worden opgemaakt. De betreffende jaarrekening is inmiddels gedeponeerd en de vennootschap heeft gedragsverandering laten zien door het (tijdig) deponeren van de jaarstukken van 2019, 2020, 2021 en 2022.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet tijdig deponeren van de jaarrekening. Hierdoor hebben crediteuren, toekomstige crediteuren en overige handelspartners van de verdachte geen kennis kunnen krijgen van de financiële (on)gezondheid van de onderneming. Dit schaadt het handelsverkeer. Het hof houdt echter rekening met de omstandigheden die hebben geleid tot het niet tijdig deponeren van de jaarrekening, zoals daarvan ter zitting is gebleken en met het gegeven dat de verdachte na het feit wel steeds tijdig aan haar verplichtingen heeft voldaan.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 394 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2), de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde geldboete en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro).
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 300,00 (driehonderd euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 augustus 2023.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003113-22
Datum uitspraak: 31 augustus 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 82-241612-21 tegen:
[verdachte]
,
gevestigd te [verdachte].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde geldboete. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf
De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00, waarvan € 300,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gelet op de omstandigheid dat de stukken inmiddels zijn gedeponeerd en hij begrip heeft voor de bijzondere omstandigheden van het geval, te weten de juridische problemen van de verdachte in Amerika.
De gevolmachtigde heeft ter zitting meegedeeld dat hij zich kan vinden in de vordering van de advocaat-generaal. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vennootschap in een procedure was verwikkeld met Amerikanen en dat onder meer in verband daarmee de jaarstukken pas na een settlement in 2018 konden worden opgemaakt. De betreffende jaarrekening is inmiddels gedeponeerd en de vennootschap heeft gedragsverandering laten zien door het (tijdig) deponeren van de jaarstukken van 2019, 2020, 2021 en 2022.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet tijdig deponeren van de jaarrekening. Hierdoor hebben crediteuren, toekomstige crediteuren en overige handelspartners van de verdachte geen kennis kunnen krijgen van de financiële (on)gezondheid van de onderneming. Dit schaadt het handelsverkeer. Het hof houdt echter rekening met de omstandigheden die hebben geleid tot het niet tijdig deponeren van de jaarrekening, zoals daarvan ter zitting is gebleken en met het gegeven dat de verdachte na het feit wel steeds tijdig aan haar verplichtingen heeft voldaan.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 394 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2), de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde geldboete en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro).
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 300,00 (driehonderd euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 augustus 2023.