Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-12
ECLI:NL:GHAMS:2023:1989
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,496 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 21/01647
12 juli 2023
vierde meervoudige belastingkamer
proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
tegen de uitspraak van 27 augustus 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/672 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2023. Daarbij is verschenen gemachtigde van belanghebbende voornoemd. Van de zijde van de inspecteur zijn verschenen mrs. [A] en [B] .
Dictum
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de beschikking verzamelinkomen 2014, zoals nader vastgesteld bij beschikking van 30 april 2020;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.103;
- draagt de inspecteur op het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 181 aan belanghebbende te vergoeden, en
- bepaalt dat, indien de te betalen schadevergoeding, griffierechten en proceskosten niet tijdig aan belanghebbende worden vergoed, daarover door de inspecteur wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot de dag van de algehele voldoening daarvan.
1. In hoger beroep heeft de inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat de beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen 2014 van 23 oktober 2017 (de beschikking) “ten onrechte is vastgesteld”. Deze beschikking is inmiddels op 30 april 2020 door de inspecteur verminderd (waarbij het verzamelinkomen is verlaagd, de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 is niet gewijzigd). Met deze vermindering is de inspecteur volledig aan het bezwaar van belanghebbende in de hoofdzaak tegemoet gekomen. Het bedrag van het verzamelinkomen is niet meer in geschil. De omstandigheid dat de inspecteur nadat belanghebbende beroep had ingesteld aan haar bezwaren tegen de beschikking tegemoet is gekomen, leidt er toe dat het beroep van belanghebbende gegrond was. Hierom heeft het Hof de uitspraak van de rechtbank vernietigd, – doende wat de rechtbank had behoren te doen – het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de beschikking zoals verminderd op 30 april 2020 gehandhaafd.
Schadevergoeding
2. In geschil is vervolgens de vraag op welk bedrag de vergoeding dient te worden bepaald voor de door belanghebbende geleden immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn met (afgerond) 22 maanden is overschreden aangezien het geschil is beslecht met de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het geschil in de hoofdzaak reeds op 20 april 2020 is beslecht en de redelijke termijn derhalve met slechts vijf maanden is overschreden.
3. Het Hof volgt de inspecteur hierin en overweegt daartoe als volgt. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt, 30 november 2017. De redelijke termijn van twee jaar is derhalve op 30 november 2019 geëindigd. Vast staat voorts dat op 20 april 2020, toen de inspecteur de in 1 genoemde vermindering aankondigde, duidelijk was dat hij volledig tegemoetkwam aan de enige op dat moment bij belanghebbende nog levende bezwaren tegen de beschikking. Het Hof is van oordeel dat op die datum het geschil over hoofdzaak eindigde, zodat vanaf dat moment geen sprake (meer) was van rechtens te honoreren spanning en frustratie bij belanghebbende vanwege het geschil over de belastingheffing. Op dat moment was de redelijke termijn met vijf maanden overschreden. Daarmee correspondeert een schadevergoeding van € 500.
Proceskosten
4. Ook in hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen kostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Daarnaast verzoekt belanghebbende om een kostenvergoeding voor behandeling van het beroep en het hoger beroep.
5. De inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en beroep recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, dat deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en dat daarbij een wegingsfactor 1 (gemiddeld) in aanmerking dient te worden genomen. Het Hof zal hem daarin volgen.
6. Het Hof ziet voorts aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende ter zake de behandeling van het geschil in hoger beroep heeft moeten maken (overeenkomstig het Besluit). In de omstandigheid dat in hoger beroep uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat vanwege formele verweren (beroep op vergoeding van proceskosten en schadevergoeding) ziet het Hof aanleiding de gewichtsfactor op 0,5 te stellen.
7. Gelet op het voorgaande stelt het Hof de kosten met toepassing van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op:
- voor het bezwaar € 592 (= 2 punten [indienen bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting] x € 296);
- voor beroep € 1.674 (= 2 punten [indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting van de] x 1 [wegingsfactor] x € 837);
- voor hoger beroep € 837 (= 2 punten [indienen hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting van het Hof] x 0,5 [wegingsfactor] x € 837.
Daarom heeft het Hof de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.103.
Het Hof heeft daarbij het namens belanghebbende ingediende stuk van 17 juni 2020 met het opschrift “Verzoek op indiening conclusie van repliek” niet beschouwd als een voor toekenning van procespunten in aanmerking komende conclusie van repliek, aangezien alleen dan sprake is van een conclusie van repliek in de zin van artikel 8:43 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de rechtbank desgevraagd of ambtshalve de belanghebbende gelegenheid heeft gegeven tot het indienen van een conclusie van repliek. Nu daarvan geen sprake is geweest, heeft belanghebbende geen recht op een (half) procespunt voor het indienen van een conclusie van repliek (Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866).
Griffierechten
8. In de gegrondverklaring van het (hoger) beroep heeft het Hof aanleiding gevonden de inspecteur te gelasten het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van € 181 (€ 47 + € 134) te vergoeden.
De uitspraak is gedaan op 12 juli 2023 door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 21/01647
12 juli 2023
vierde meervoudige belastingkamer
proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.A. Klaver)
tegen de uitspraak van 27 augustus 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/672 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2023. Daarbij is verschenen gemachtigde van belanghebbende voornoemd. Van de zijde van de inspecteur zijn verschenen mrs. [A] en [B] .
Dictum
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de beschikking verzamelinkomen 2014, zoals nader vastgesteld bij beschikking van 30 april 2020;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.103;
- draagt de inspecteur op het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 181 aan belanghebbende te vergoeden, en
- bepaalt dat, indien de te betalen schadevergoeding, griffierechten en proceskosten niet tijdig aan belanghebbende worden vergoed, daarover door de inspecteur wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot de dag van de algehele voldoening daarvan.
1. In hoger beroep heeft de inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat de beschikking gewijzigde heffingsgrondslagen 2014 van 23 oktober 2017 (de beschikking) “ten onrechte is vastgesteld”. Deze beschikking is inmiddels op 30 april 2020 door de inspecteur verminderd (waarbij het verzamelinkomen is verlaagd, de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 is niet gewijzigd). Met deze vermindering is de inspecteur volledig aan het bezwaar van belanghebbende in de hoofdzaak tegemoet gekomen. Het bedrag van het verzamelinkomen is niet meer in geschil. De omstandigheid dat de inspecteur nadat belanghebbende beroep had ingesteld aan haar bezwaren tegen de beschikking tegemoet is gekomen, leidt er toe dat het beroep van belanghebbende gegrond was. Hierom heeft het Hof de uitspraak van de rechtbank vernietigd, – doende wat de rechtbank had behoren te doen – het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de beschikking zoals verminderd op 30 april 2020 gehandhaafd.
Schadevergoeding
2. In geschil is vervolgens de vraag op welk bedrag de vergoeding dient te worden bepaald voor de door belanghebbende geleden immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn met (afgerond) 22 maanden is overschreden aangezien het geschil is beslecht met de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het geschil in de hoofdzaak reeds op 20 april 2020 is beslecht en de redelijke termijn derhalve met slechts vijf maanden is overschreden.
3. Het Hof volgt de inspecteur hierin en overweegt daartoe als volgt. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt, 30 november 2017. De redelijke termijn van twee jaar is derhalve op 30 november 2019 geëindigd. Vast staat voorts dat op 20 april 2020, toen de inspecteur de in 1 genoemde vermindering aankondigde, duidelijk was dat hij volledig tegemoetkwam aan de enige op dat moment bij belanghebbende nog levende bezwaren tegen de beschikking. Het Hof is van oordeel dat op die datum het geschil over hoofdzaak eindigde, zodat vanaf dat moment geen sprake (meer) was van rechtens te honoreren spanning en frustratie bij belanghebbende vanwege het geschil over de belastingheffing. Op dat moment was de redelijke termijn met vijf maanden overschreden. Daarmee correspondeert een schadevergoeding van € 500.
Proceskosten
4. Ook in hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen kostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. Daarnaast verzoekt belanghebbende om een kostenvergoeding voor behandeling van het beroep en het hoger beroep.
5. De inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en beroep recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, dat deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en dat daarbij een wegingsfactor 1 (gemiddeld) in aanmerking dient te worden genomen. Het Hof zal hem daarin volgen.
6. Het Hof ziet voorts aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende ter zake de behandeling van het geschil in hoger beroep heeft moeten maken (overeenkomstig het Besluit). In de omstandigheid dat in hoger beroep uitsluitend recht op een proceskostenvergoeding bestaat vanwege formele verweren (beroep op vergoeding van proceskosten en schadevergoeding) ziet het Hof aanleiding de gewichtsfactor op 0,5 te stellen.
7. Gelet op het voorgaande stelt het Hof de kosten met toepassing van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op:
- voor het bezwaar € 592 (= 2 punten [indienen bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting] x € 296);
- voor beroep € 1.674 (= 2 punten [indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting van de] x 1 [wegingsfactor] x € 837);
- voor hoger beroep € 837 (= 2 punten [indienen hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting van het Hof] x 0,5 [wegingsfactor] x € 837.
Daarom heeft het Hof de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.103.
Het Hof heeft daarbij het namens belanghebbende ingediende stuk van 17 juni 2020 met het opschrift “Verzoek op indiening conclusie van repliek” niet beschouwd als een voor toekenning van procespunten in aanmerking komende conclusie van repliek, aangezien alleen dan sprake is van een conclusie van repliek in de zin van artikel 8:43 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de rechtbank desgevraagd of ambtshalve de belanghebbende gelegenheid heeft gegeven tot het indienen van een conclusie van repliek. Nu daarvan geen sprake is geweest, heeft belanghebbende geen recht op een (half) procespunt voor het indienen van een conclusie van repliek (Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866).
Griffierechten
8. In de gegrondverklaring van het (hoger) beroep heeft het Hof aanleiding gevonden de inspecteur te gelasten het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van € 181 (€ 47 + € 134) te vergoeden.
De uitspraak is gedaan op 12 juli 2023 door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke.