Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-08-22
ECLI:NL:GHAMS:2023:1979
Strafrecht
Hoger beroep
5,602 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003182-22
datum uitspraak: 22 augustus 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-159198-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 maart 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht met zijn gebalde vuist op zijn linkerkaak, althans zijn hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, wegens proceseconomische redenen.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd, kort gezegd, dat op basis van de eerste verklaring van de getuige [getuige] niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is die heeft geslagen, nu [getuige] later heeft verklaard dat hij het slaan niet heeft gezien. Daarnaast zijn de in het dossier door politieagenten gerelateerde herkenningen van de verdachte op de camerabeelden onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen.
Het hof overweegt als volgt.
Op zondag 6 maart 2022, iets na 05:00 uur, is er een vechtpartij ontstaan in/bij de McDonalds aan het Damrak in Amsterdam. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij voor de uitgang van de McDonalds stond en probeerde een teamgenoot te beschermen, toen hij uit het niets een klap kreeg op zijn kaak en buiten bewustzijn raakte. Uit de medische verklaringen van 6 maart 2022 (huisartsenpost) en 8 maart 2022 (tandarts) volgt dat aangever hierbij ernstig letsel heeft opgelopen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de ter plaatse gekomen politieagenten van 6 maart 2022 volgt dat een medewerker van de McDonalds de verdachte vasthield en vertelde dat hij, verdachte, had gevochten. Op de veiliggestelde camerabeelden is volgens verbalisant Groenendijk te zien dat aangever werd neergeslagen – met kracht en met gebalde vuist – door een man, van wie hij in zijn proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022 een omschrijving geeft. Bij vergelijking van de SKDB-foto van de verdachte en de man op de camerabeelden zag verbalisant Groenendijk dat er qua uiterlijke gezichtskenmerken overeenkomsten waren. Bij deze vergelijking betrachtte hij enige terughoudendheid en relateerde hij dat hij niet met 100% zekerheid kan verklaren dat de verdachte en de man op de camerabeelden een en dezelfde persoon is. Echter op het moment dat deze verbalisant de verdachte in levende lijven voor zich zag tijdens het verhoor op 27 juni 2022, viel bij hem elke gerede twijfel weg en herkende hij de verdachte met zekerheid. Uit het proces-verbaal van dit verhoor volgt dat Groenendijk de bewegende beelden heeft bekeken en hij zegt in dit verhoor tegen de verdachte: “Jij zit nu tegenover mij. Ik herken je volledig als de man die de vuistslag uitdeelde.”, waarna hij dit toelicht. Dat brengt het hof tot het wettige en overtuigende bewijs dat het de verdachte is geweest die aangever heeft geslagen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 maart 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht met zijn gebalde vuist op zijn kaak te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer met kracht tegen zijn kaak te slaan. Het slachtoffer is hierbij bewusteloos geraakt en heeft ernstig letsel opgelopen. Feiten als het onderhavige maken inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers en tasten de veiligheidsgevoelens van burgers aan, waarbij het hof meeweegt dat de mishandeling plaatsvond in het uitgaansleven.
Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2023, in de afgelopen vijf jaren niet eerder voor geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft bij de strafoplegging tevens acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor mishandeling met lichamelijk letsel tot gevolg een geldboete ter hoogte van € 750,00 genoemd.
Het hof acht, alles afwegende, gelet hierop, de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.053,81, bestaande uit € 178,81 aan materiële schade en € 875,00 aan immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen.
De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht om de vordering wat betreft de kosten voor de tandheelkundige zorg af te wijzen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.053,81 (duizend drieënvijftig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 178,81 (honderdachtenzeventig euro en eenentachtig cent) materiële schade en
€ 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.053,81 (duizend drieënvijftig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 178,81 (honderdachtenzeventig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 maart 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. W.S. Ludwig en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van S. Maerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 augustus 2023.
mr. S. Jongeling en mr. P.C. Verloop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003182-22
datum uitspraak: 22 augustus 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 november 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-159198-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 maart 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht met zijn gebalde vuist op zijn linkerkaak, althans zijn hoofd te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, wegens proceseconomische redenen.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd, kort gezegd, dat op basis van de eerste verklaring van de getuige [getuige] niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is die heeft geslagen, nu [getuige] later heeft verklaard dat hij het slaan niet heeft gezien. Daarnaast zijn de in het dossier door politieagenten gerelateerde herkenningen van de verdachte op de camerabeelden onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen.
Het hof overweegt als volgt.
Op zondag 6 maart 2022, iets na 05:00 uur, is er een vechtpartij ontstaan in/bij de McDonalds aan het Damrak in Amsterdam. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat hij voor de uitgang van de McDonalds stond en probeerde een teamgenoot te beschermen, toen hij uit het niets een klap kreeg op zijn kaak en buiten bewustzijn raakte. Uit de medische verklaringen van 6 maart 2022 (huisartsenpost) en 8 maart 2022 (tandarts) volgt dat aangever hierbij ernstig letsel heeft opgelopen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de ter plaatse gekomen politieagenten van 6 maart 2022 volgt dat een medewerker van de McDonalds de verdachte vasthield en vertelde dat hij, verdachte, had gevochten. Op de veiliggestelde camerabeelden is volgens verbalisant Groenendijk te zien dat aangever werd neergeslagen – met kracht en met gebalde vuist – door een man, van wie hij in zijn proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2022 een omschrijving geeft. Bij vergelijking van de SKDB-foto van de verdachte en de man op de camerabeelden zag verbalisant Groenendijk dat er qua uiterlijke gezichtskenmerken overeenkomsten waren. Bij deze vergelijking betrachtte hij enige terughoudendheid en relateerde hij dat hij niet met 100% zekerheid kan verklaren dat de verdachte en de man op de camerabeelden een en dezelfde persoon is. Echter op het moment dat deze verbalisant de verdachte in levende lijven voor zich zag tijdens het verhoor op 27 juni 2022, viel bij hem elke gerede twijfel weg en herkende hij de verdachte met zekerheid. Uit het proces-verbaal van dit verhoor volgt dat Groenendijk de bewegende beelden heeft bekeken en hij zegt in dit verhoor tegen de verdachte: “Jij zit nu tegenover mij. Ik herken je volledig als de man die de vuistslag uitdeelde.”, waarna hij dit toelicht. Dat brengt het hof tot het wettige en overtuigende bewijs dat het de verdachte is geweest die aangever heeft geslagen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 maart 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht met zijn gebalde vuist op zijn kaak te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer met kracht tegen zijn kaak te slaan. Het slachtoffer is hierbij bewusteloos geraakt en heeft ernstig letsel opgelopen. Feiten als het onderhavige maken inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers en tasten de veiligheidsgevoelens van burgers aan, waarbij het hof meeweegt dat de mishandeling plaatsvond in het uitgaansleven.
Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 juni 2023, in de afgelopen vijf jaren niet eerder voor geweldsdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft bij de strafoplegging tevens acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor mishandeling met lichamelijk letsel tot gevolg een geldboete ter hoogte van € 750,00 genoemd.
Het hof acht, alles afwegende, gelet hierop, de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.053,81, bestaande uit € 178,81 aan materiële schade en € 875,00 aan immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen.
De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht om de vordering wat betreft de kosten voor de tandheelkundige zorg af te wijzen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.053,81 (duizend drieënvijftig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 178,81 (honderdachtenzeventig euro en eenentachtig cent) materiële schade en
€ 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.053,81 (duizend drieënvijftig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 178,81 (honderdachtenzeventig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 875,00 (achthonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 maart 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. W.S. Ludwig en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van S. Maerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 augustus 2023.
mr. S. Jongeling en mr. P.C. Verloop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]