Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-20
ECLI:NL:GHAMS:2023:1791
Strafrecht
Hoger beroep
4,498 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002974-20
datum uitspraak: 20 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 december 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-112191-19 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1990,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof
– een kennelijke misslag in de bewezenverklaring zal corrigeren;
– in het geval dat beroep in cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld, bij aanvulling op dit verkort arrest nader zal aangeven welke passages uit het door de politierechter als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal redengevend voor het bewijs zijn en
– de bewijsoverweging van de politierechter zal vervangen door een eigen bewijsoverweging.
In zoverre worden de gronden van de beslissing aangevuld.
Correctie van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring
De politierechter heeft bewezenverklaard dat de verdachte:
Op 7 mei 2019, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.422,–, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Gelet op de kwalificatie van het bewezenverklaarde zoals die is opgenomen in het vonnis, te weten: “
witwassen”
, en gelet op de inhoud van de nadere bewijsoverweging van de politierechter, inhoudend dat voor het bedrag van € 2.422,00 geen aannemelijke verklaring is gekomen, houdt het hof het ervoor dat de politierechter het primair ten laste gelegde opzetwitwassen van dat bedrag bewezen heeft geacht en dat het niet de bedoeling van de politierechter is geweest de passage “
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden”
in de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te laten staan. Hier is sprake van een kennelijke misslag en het hof zal daarom de bewezenverklaring verbeterd lezen en wel als volgt:
Op 7 mei 2019, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.422,–, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Bewijsoverweging
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp/geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vast staat dat het voorwerp/geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Op grond van de in deze zaak beschikbare bewijsmiddelen valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen de bij de verdachte aangetroffen en in de tenlastelegging genoemde bedragen/voorwerp en enig bepaald misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat deze geldbedragen/dit voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig zijn/is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen/het voorwerp. Voldoet hij daar niet aan, dan is de conclusie gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen/het voorwerp uit misdrijf afkomstig zijn/is.
In het geval dat de verdachte wel aan dit vereiste voldoet en het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben, wil geconcludeerd worden dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende vastgesteld en overwogen.
Witwasvermoeden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Blijkens het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [verbalisant01] de verdachte op 7 mei 2019 weg zien lopen bij [bedrijf01] (B.V.) wisselkantoor aan het [adres02] te Amsterdam, waarbij de verdachte een stapel met geld in zijn broekzak stak. Daarna pakte de verdachte zijn telefoon en belde even kort – slechts 5 seconden – om vervolgens met versnelde pas in de richting van de [winkel01] garage te lopen. [verbalisant01] relateert dat het hem ambtshalve bekend is dat er bij dergelijke wisselkantoren op het [adres02] geld wordt witgewassen onder meer door te smurfen (hoppen van geldwisselkantoor naar geldwisselkantoor waarbij men kleinere bedragen wisselt (€¤2.000-€¤4.000) om onder de grens van de melding ongebruikelijke transacties te blijven). Verbalisant [verbalisant01] heeft vervolgens de verdachte staande gehouden en – na het geven van de cautie – gevraagd wat hij zojuist had gedaan en hoeveel geld hij had. De verdachte verklaarde daarop dat hij net wat Deense kronen die hij over had van de vakantie had gewisseld ter waarde van ongeveer € 2.500,00. Daarop liet de verdachte [verbalisant01] een envelop zien waarin 4 biljetten van € 500,00 zaten en biljetten van € 50,00. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat [bedrijf01] geen biljetten van € 500,00 afgeeft. Op de vraag of de verdachte nog meer geld onder zich had, verklaarde de verdachte dat hij nog een geldbedrag in zijn broekzak had.
De verdachte is door [verbalisant01] aangehouden. Bij de insluitingsfouillering werd – voor zover van belang – het volgende onder de verdachte aangetroffen en in beslag genomen:
– een bedrag van € 2.422,00 in de envelop, bestaande uit biljetten van 4 x € 500, 8 x € 50 en 1 x €¤20;
– een bedrag van € 4.445,00 in de broekzak van de verdachte, bestaande uit biljetten van 25 x €¤100, 38 x € 50, 2 x € 20 en 1 x € 5;
– 1 wisselbon van [bedrijf02] BV, gevestigd aan het [adres03] te Amsterdam, waarop is vermeld dat op 7 mei 2019 te 18.25 uur een bedrag van 17.000,00 Deense kronen is gewisseld tegen een bedrag van € 2.176,00; en
– 1 Rolex Submariner horloge.
Na de aanhouding sprak verbalisant [verbalisant01] met de medewerker van [bedrijf01] , die meedeelde dat de verdachte een bedrag van 17.750,00 Deense kronen had gewisseld en dat hij de verdachte geen biljetten van € 500,00 had gegeven. Tevens gaf deze medewerker het volgende aan de verbalisant:
1 wisselbon van [bedrijf01] B.V., gevestigd aan het [adres02] te Amsterdam, waarop is vermeld dat op 7 mei 2019 te 18:33 uur een bedrag van 17.750,00 Deense kronen is gewisseld tegen een bedrag van € 2.273,80.
Conclusie
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte het witwasvermoeden voor het bedrag van €¤2.422,00 niet heeft ontzenuwd, zodat het hof van oordeel is dat dit geld geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat moet hebben geweten. Daarmee is het witwassen van dit geldbedrag door de verdachte bewezen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat
– de bewezenverklaring verbeterd wordt gelezen als in dit arrest opgenomen en
– de gronden worden aangevuld zoals in dit arrest overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, R.D. van Heffen en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2023.
De oudste raadsheer is niet in staat dit arrest te ondertekenen.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002974-20
datum uitspraak: 20 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 december 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-112191-19 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1990,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof
– een kennelijke misslag in de bewezenverklaring zal corrigeren;
– in het geval dat beroep in cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld, bij aanvulling op dit verkort arrest nader zal aangeven welke passages uit het door de politierechter als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal redengevend voor het bewijs zijn en
– de bewijsoverweging van de politierechter zal vervangen door een eigen bewijsoverweging.
In zoverre worden de gronden van de beslissing aangevuld.
Correctie van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring
De politierechter heeft bewezenverklaard dat de verdachte:
Op 7 mei 2019, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.422,–, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Gelet op de kwalificatie van het bewezenverklaarde zoals die is opgenomen in het vonnis, te weten: “
witwassen”
, en gelet op de inhoud van de nadere bewijsoverweging van de politierechter, inhoudend dat voor het bedrag van € 2.422,00 geen aannemelijke verklaring is gekomen, houdt het hof het ervoor dat de politierechter het primair ten laste gelegde opzetwitwassen van dat bedrag bewezen heeft geacht en dat het niet de bedoeling van de politierechter is geweest de passage “
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden”
in de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te laten staan. Hier is sprake van een kennelijke misslag en het hof zal daarom de bewezenverklaring verbeterd lezen en wel als volgt:
Op 7 mei 2019, te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.422,–, heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Bewijsoverweging
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp/geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vast staat dat het voorwerp/geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Op grond van de in deze zaak beschikbare bewijsmiddelen valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen de bij de verdachte aangetroffen en in de tenlastelegging genoemde bedragen/voorwerp en enig bepaald misdrijf. Niettemin kan bewezen worden geacht dat deze geldbedragen/dit voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig zijn/is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen/het voorwerp. Voldoet hij daar niet aan, dan is de conclusie gerechtvaardigd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen/het voorwerp uit misdrijf afkomstig zijn/is.
In het geval dat de verdachte wel aan dit vereiste voldoet en het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben, wil geconcludeerd worden dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende vastgesteld en overwogen.
Witwasvermoeden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Blijkens het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant [verbalisant01] de verdachte op 7 mei 2019 weg zien lopen bij [bedrijf01] (B.V.) wisselkantoor aan het [adres02] te Amsterdam, waarbij de verdachte een stapel met geld in zijn broekzak stak. Daarna pakte de verdachte zijn telefoon en belde even kort – slechts 5 seconden – om vervolgens met versnelde pas in de richting van de [winkel01] garage te lopen. [verbalisant01] relateert dat het hem ambtshalve bekend is dat er bij dergelijke wisselkantoren op het [adres02] geld wordt witgewassen onder meer door te smurfen (hoppen van geldwisselkantoor naar geldwisselkantoor waarbij men kleinere bedragen wisselt (€¤2.000-€¤4.000) om onder de grens van de melding ongebruikelijke transacties te blijven). Verbalisant [verbalisant01] heeft vervolgens de verdachte staande gehouden en – na het geven van de cautie – gevraagd wat hij zojuist had gedaan en hoeveel geld hij had. De verdachte verklaarde daarop dat hij net wat Deense kronen die hij over had van de vakantie had gewisseld ter waarde van ongeveer € 2.500,00. Daarop liet de verdachte [verbalisant01] een envelop zien waarin 4 biljetten van € 500,00 zaten en biljetten van € 50,00. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat [bedrijf01] geen biljetten van € 500,00 afgeeft. Op de vraag of de verdachte nog meer geld onder zich had, verklaarde de verdachte dat hij nog een geldbedrag in zijn broekzak had.
De verdachte is door [verbalisant01] aangehouden. Bij de insluitingsfouillering werd – voor zover van belang – het volgende onder de verdachte aangetroffen en in beslag genomen:
– een bedrag van € 2.422,00 in de envelop, bestaande uit biljetten van 4 x € 500, 8 x € 50 en 1 x €¤20;
– een bedrag van € 4.445,00 in de broekzak van de verdachte, bestaande uit biljetten van 25 x €¤100, 38 x € 50, 2 x € 20 en 1 x € 5;
– 1 wisselbon van [bedrijf02] BV, gevestigd aan het [adres03] te Amsterdam, waarop is vermeld dat op 7 mei 2019 te 18.25 uur een bedrag van 17.000,00 Deense kronen is gewisseld tegen een bedrag van € 2.176,00; en
– 1 Rolex Submariner horloge.
Na de aanhouding sprak verbalisant [verbalisant01] met de medewerker van [bedrijf01] , die meedeelde dat de verdachte een bedrag van 17.750,00 Deense kronen had gewisseld en dat hij de verdachte geen biljetten van € 500,00 had gegeven. Tevens gaf deze medewerker het volgende aan de verbalisant:
1 wisselbon van [bedrijf01] B.V., gevestigd aan het [adres02] te Amsterdam, waarop is vermeld dat op 7 mei 2019 te 18:33 uur een bedrag van 17.750,00 Deense kronen is gewisseld tegen een bedrag van € 2.273,80.
Conclusie
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte het witwasvermoeden voor het bedrag van €¤2.422,00 niet heeft ontzenuwd, zodat het hof van oordeel is dat dit geld geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat moet hebben geweten. Daarmee is het witwassen van dit geldbedrag door de verdachte bewezen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat
– de bewezenverklaring verbeterd wordt gelezen als in dit arrest opgenomen en
– de gronden worden aangevuld zoals in dit arrest overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, R.D. van Heffen en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2023.
De oudste raadsheer is niet in staat dit arrest te ondertekenen.
=
===
[…]