Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-04
ECLI:NL:GHAMS:2023:1781
Strafrecht
Hoger beroep
3,462 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003244-22
datum uitspraak: 4 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 december 2022- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-224201-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres] .
Procesgang
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van 400 euro subsidiair 8 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 10 september 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot dezelfde straf als de politierechter.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 december 2022 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte - naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 6 juni 2018 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze een of meermalen tegen het lichaam te duwen en/of een of meermalen bij de keel vast te pakken en/of te grijpen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht..
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 juni 2018 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze tegen het lichaam te duwen;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van 400 euro subsidiair 8 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 200 euro, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever. De verdachte heeft het slachtoffer achteruit geduwd waarbij hij zijn hand tegen de keel van het slachtoffer hield. Dit heeft bij het slachtoffer een gevoel van fysiek onbehagen teweeggebracht. Hoewel het voorgaande de oplegging van een straf als in eerste aanleg is opgelegd in beginsel rechtvaardigt, ziet het hof aanleiding daarvan af te wijken.
Het betreft een incident dat zich inmiddels meer dan 5 jaar geleden heeft voorgedaan. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer woonachtig is naast aangever en dat er na het incident enig contact met aangever is geweest, waarbij zij elkaar de hand hebben geschud. Ook heeft de verdachte blijk gegeven inzicht te hebben in zijn eigen handelen. Alles overziend is het hof van oordeel dat met het opleggen van een straf of maatregel thans geen redelijk strafdoel meer is gediend. Op grond hiervan acht het hof het raadzaam te bepalen dat onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juli 2023.
=
===
[…]
[…]
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003244-22
datum uitspraak: 4 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 december 2022- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-224201-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
adres: [adres] .
Procesgang
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van 400 euro subsidiair 8 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 10 september 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot dezelfde straf als de politierechter.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 december 2022 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte - naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 6 juni 2018 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze een of meermalen tegen het lichaam te duwen en/of een of meermalen bij de keel vast te pakken en/of te grijpen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht..
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 juni 2018 te Haarlem, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze tegen het lichaam te duwen;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van 400 euro subsidiair 8 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 200 euro, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever. De verdachte heeft het slachtoffer achteruit geduwd waarbij hij zijn hand tegen de keel van het slachtoffer hield. Dit heeft bij het slachtoffer een gevoel van fysiek onbehagen teweeggebracht. Hoewel het voorgaande de oplegging van een straf als in eerste aanleg is opgelegd in beginsel rechtvaardigt, ziet het hof aanleiding daarvan af te wijken.
Het betreft een incident dat zich inmiddels meer dan 5 jaar geleden heeft voorgedaan. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer woonachtig is naast aangever en dat er na het incident enig contact met aangever is geweest, waarbij zij elkaar de hand hebben geschud. Ook heeft de verdachte blijk gegeven inzicht te hebben in zijn eigen handelen. Alles overziend is het hof van oordeel dat met het opleggen van een straf of maatregel thans geen redelijk strafdoel meer is gediend. Op grond hiervan acht het hof het raadzaam te bepalen dat onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juli 2023.
=
===
[…]
[…]