Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-06
ECLI:NL:GHAMS:2023:1693
Strafrecht
Hoger beroep
2,002 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002731-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-255757-19 tegen de betrokkene
[verdachten]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
adres: [adres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 87.950,56.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het aanwezig hebben van hennep (feit 1) en diefstal van elektriciteit (feit 2).
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 oktober 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 79.714,17 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het aanwezig hebben van hennep (feit 1).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 mei 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 81.907,17 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
Het hof overweegt dat in de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene op 23 december 2018 opzettelijk een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad in een door hem gehuurde woning. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat hij betrokken is geweest bij de teelt van de planten, zodat hij daarvan is vrijgesproken. Hiermee hangt samen dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene betrokken is geweest bij de verkoop van een eerdere oogst en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof zal daarom de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. H.A. Stalenhoef en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 juni 2023.
Mr. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002731-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-255757-19 tegen de betrokkene
[verdachten]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
adres: [adres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 87.950,56.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2022 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het aanwezig hebben van hennep (feit 1) en diefstal van elektriciteit (feit 2).
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 11 oktober 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 79.714,17 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het aanwezig hebben van hennep (feit 1).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 mei 2023.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 81.907,17 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
Het hof overweegt dat in de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene op 23 december 2018 opzettelijk een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad in een door hem gehuurde woning. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat hij betrokken is geweest bij de teelt van de planten, zodat hij daarvan is vrijgesproken. Hiermee hangt samen dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene betrokken is geweest bij de verkoop van een eerdere oogst en daaruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof zal daarom de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. H.A. Stalenhoef en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 juni 2023.
Mr. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.