Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-11
ECLI:NL:GHAMS:2023:1666
Strafrecht
Hoger beroep
4,272 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001877-21
datum uitspraak: 11 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-080544-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 december 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 24,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bespreking van verweren
De raadsman heeft gesteld dat in het opsporingsonderzoek vormen zijn verzuimd, nu de politie zonder concrete aanwijzing voor het mogelijk overtreden van het Vuurwerkbesluit de auto – die de verdachte bestuurde – heeft onderzocht. Een enkele eerdere politiemutatie met betrekking tot een vernieling van een auto middels vuurwerk, waarbij de betrokkenheid van de verdachte niet is komen vast te staan, is onvoldoende om een concrete aanwijzing aan te nemen. Het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle tegen de verdachte verkregen bewijzen, nu deze het directe gevolg van het vormverzuim zijn.
Het hof overweegt als volgt.
De politie heeft de verdachte, die op 26 december 2020 de personenauto van zijn vader bestuurde, staande gehouden omdat het linker remlicht van de auto defect bleek te zijn. De politieambtenaren waren daartoe bevoegd op basis van de Wegenverkeerswet 1994. Een van de politieagenten heeft het zogenaamde politiesysteem MEOS geraadpleegd en zag daarin een politiemutatie van augustus 2020 met betrekking tot de vernieling van een personenauto met behulp van vuurwerk (cobra). De mutatie vermeldt mogelijke betrokkenheid van de verdachte daarbij. Deze mutatie vormde, in combinatie met de omstreeks 26 december 2020 ondervonden vuurwerkoverlast, de reden voor de politieagenten om over te gaan tot onderzoek aan de auto op grond van artikel 23 van de Wet Economische Delicten (verder: WED). Vervolgens is daadwerkelijk onderzoek verricht in de auto die de verdachte had bestuurd. Daarbij werd in zowel de bestuurdersdeur als het dashboardkastje een gripzak gezien met daarin meerdere kleinere gripzakjes. In de achterbak van de auto werd een heuptasje gezien, dat open stond, met daarin een groot gripzakje met wiet. Vervolgens werd aan de verdachte gevraagd of hij nog meer drugs of andere verboden goederen bij zich had. Nadat de verdachte “nee” had geantwoord, heeft een van de politieagenten de verdachte gefouilleerd op grond van artikel 9 van de Opiumwet.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, WED zijn de opsporingsambtenaren bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van (kort gezegd) economische delicten (waaronder overtredingen van het Vuurwerkbesluit), voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1993:ZC9268) volgt dat voor de inzet van deze bevoegdheid geen verdenking nodig is, maar dat een concrete aanwijzing daartoe voldoende is.
Het hof is evenwel van oordeel dat hoewel artikel 23 WED de politie een ruime opsporingsbevoegdheid geeft, de politie in dit geval niet tot onderzoek aan de auto mocht overgaan, nu onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden dat op dat moment een overtreding van het Vuurwerkbesluit werd begaan. De eerdere politiemutatie biedt op zichzelf, dan wel in combinatie met de toenmalige vuurwerkoverlast – het was 26 december –, daarvoor onvoldoende grondslag. Dat leidt ertoe dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Bij de beoordeling of aan dit verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg, heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdediging slechts in algemene bewoordingen heeft opgemerkt welke nadelen dit oplevert, maar niet nader heeft geconcretiseerd wat het door de verdachte ondervonden nadeel is ten gevolge van het vormverzuim. Het belang dat strafbare feiten niet worden ontdekt, is geen rechtens te respecteren belang. In het kader van de vaststelling van de ernst van het verzuim acht het hof van belang dat de auto slechts in beperkte mate is onderzocht, nu zoekend is rondgekeken en enkel het dashboardkastje en de kofferbak zijn geopend. Deze handelingen vormen slechts een beperkte inbreuk op de eventuele persoonlijke levenssfeer van de verdachte, temeer nu de auto niet aan hemzelf, maar aan zijn vader toebehoorde. Nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dusdanig (persoonlijk) nadeel heeft ondervonden door het vormverzuim en evenmin sprake is van een schending van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate, zal het hof niet overgaan tot bewijsuitsluiting en evenmin tot strafvermindering, maar volstaan met het constateren van het verzuim.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat (eveneens) sprake is van een vormverzuim voor wat betreft het fouilleren van de verdachte, waarbij diverse gripzakjes met daarin envelopjes inhoudende cocaïne zijn aangetroffen, verwerpt het hof het verweer. Het aantreffen van de hiervoor genoemde gripzakken met daarin kleinere gripzakjes en wiet in de auto levert naar het oordeel van het hof voldoende ernstige bezwaren op voor nader onderzoek in de vorm van fouilleren op grond van artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet. Een vormverzuim ten aanzien van de fouillering is daarom niet aan de orde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 december 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 24,6 gram cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes, mr. S. Jongeling en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juli 2023.
mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001877-21
datum uitspraak: 11 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-080544-21 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 26 december 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 24,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bespreking van verweren
De raadsman heeft gesteld dat in het opsporingsonderzoek vormen zijn verzuimd, nu de politie zonder concrete aanwijzing voor het mogelijk overtreden van het Vuurwerkbesluit de auto – die de verdachte bestuurde – heeft onderzocht. Een enkele eerdere politiemutatie met betrekking tot een vernieling van een auto middels vuurwerk, waarbij de betrokkenheid van de verdachte niet is komen vast te staan, is onvoldoende om een concrete aanwijzing aan te nemen. Het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle tegen de verdachte verkregen bewijzen, nu deze het directe gevolg van het vormverzuim zijn.
Het hof overweegt als volgt.
De politie heeft de verdachte, die op 26 december 2020 de personenauto van zijn vader bestuurde, staande gehouden omdat het linker remlicht van de auto defect bleek te zijn. De politieambtenaren waren daartoe bevoegd op basis van de Wegenverkeerswet 1994. Een van de politieagenten heeft het zogenaamde politiesysteem MEOS geraadpleegd en zag daarin een politiemutatie van augustus 2020 met betrekking tot de vernieling van een personenauto met behulp van vuurwerk (cobra). De mutatie vermeldt mogelijke betrokkenheid van de verdachte daarbij. Deze mutatie vormde, in combinatie met de omstreeks 26 december 2020 ondervonden vuurwerkoverlast, de reden voor de politieagenten om over te gaan tot onderzoek aan de auto op grond van artikel 23 van de Wet Economische Delicten (verder: WED). Vervolgens is daadwerkelijk onderzoek verricht in de auto die de verdachte had bestuurd. Daarbij werd in zowel de bestuurdersdeur als het dashboardkastje een gripzak gezien met daarin meerdere kleinere gripzakjes. In de achterbak van de auto werd een heuptasje gezien, dat open stond, met daarin een groot gripzakje met wiet. Vervolgens werd aan de verdachte gevraagd of hij nog meer drugs of andere verboden goederen bij zich had. Nadat de verdachte “nee” had geantwoord, heeft een van de politieagenten de verdachte gefouilleerd op grond van artikel 9 van de Opiumwet.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, WED zijn de opsporingsambtenaren bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van (kort gezegd) economische delicten (waaronder overtredingen van het Vuurwerkbesluit), voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1993:ZC9268) volgt dat voor de inzet van deze bevoegdheid geen verdenking nodig is, maar dat een concrete aanwijzing daartoe voldoende is.
Het hof is evenwel van oordeel dat hoewel artikel 23 WED de politie een ruime opsporingsbevoegdheid geeft, de politie in dit geval niet tot onderzoek aan de auto mocht overgaan, nu onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden dat op dat moment een overtreding van het Vuurwerkbesluit werd begaan. De eerdere politiemutatie biedt op zichzelf, dan wel in combinatie met de toenmalige vuurwerkoverlast – het was 26 december –, daarvoor onvoldoende grondslag. Dat leidt ertoe dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Bij de beoordeling of aan dit verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg, heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdediging slechts in algemene bewoordingen heeft opgemerkt welke nadelen dit oplevert, maar niet nader heeft geconcretiseerd wat het door de verdachte ondervonden nadeel is ten gevolge van het vormverzuim. Het belang dat strafbare feiten niet worden ontdekt, is geen rechtens te respecteren belang. In het kader van de vaststelling van de ernst van het verzuim acht het hof van belang dat de auto slechts in beperkte mate is onderzocht, nu zoekend is rondgekeken en enkel het dashboardkastje en de kofferbak zijn geopend. Deze handelingen vormen slechts een beperkte inbreuk op de eventuele persoonlijke levenssfeer van de verdachte, temeer nu de auto niet aan hemzelf, maar aan zijn vader toebehoorde. Nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dusdanig (persoonlijk) nadeel heeft ondervonden door het vormverzuim en evenmin sprake is van een schending van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate, zal het hof niet overgaan tot bewijsuitsluiting en evenmin tot strafvermindering, maar volstaan met het constateren van het verzuim.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat (eveneens) sprake is van een vormverzuim voor wat betreft het fouilleren van de verdachte, waarbij diverse gripzakjes met daarin envelopjes inhoudende cocaïne zijn aangetroffen, verwerpt het hof het verweer. Het aantreffen van de hiervoor genoemde gripzakken met daarin kleinere gripzakjes en wiet in de auto levert naar het oordeel van het hof voldoende ernstige bezwaren op voor nader onderzoek in de vorm van fouilleren op grond van artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet. Een vormverzuim ten aanzien van de fouillering is daarom niet aan de orde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 december 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad, opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 24,6 gram cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes, mr. S. Jongeling en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juli 2023.
mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.