ECLI:NL:GHAMS:2023:161
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001322-20
datum uitspraak: 30 januari 2023
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-217696-19 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1943,
adres: [adres] , thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad
te Westzaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2021, 13 juli 2021, 26 augustus 2021, 28 december 2021, 9 juni 2022, 14 november 2022, 16 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1primairhij op of omstreeks 8 september 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een (keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in haar rug en/of haar nek/hals en/of haar hand(en), althans haar lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1subsidiairhij op of omstreeks 8 september 2019 te Amsterdam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) in haar nek en/of haar rug en/of een klaplong. heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met een (keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in haar rug en/of haar nek/hals en/of haar hand(en), althans haar lichaam te steken en/of te snijden en/of te prikken;
2 hij op of omstreeks 8 september 2019 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met een (keuken)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (een) stekende en/of zwaaiende beweging(en) in de richting van die [slachtoffer 2] te maken.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting van 16 januari 2021 overeenkomstig de pleitnota primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, vanwege een schending van het recht op een eerlijk proces zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdraag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM).
De verdediging heeft daartoe gesteld dat – blijkens het rapport, opgemaakt door psychiater [naam 1] , van 6 januari 2023 en de verklaring van psycholoog [naam 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2022 – de verdachte ten tijde van de aanvang van de vervolging vanwege zijn gezondheidsproblemen al niet in staat was om effectief te participeren in de strafzaak, nu hij van meet af aan niet over het vereiste begripsniveau beschikte. In geval van een dergelijk begripsgebrek, is geen ruimte voor compensatie door adequate rechtsbijstand door een deskundig raadsman. Een eerlijk proces is dan ook eenvoudigweg niet mogelijk gebleken.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging en daartoe kortgezegd het volgende aangevoerd. Weliswaar is de verdachte vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, maar deze gezondheidstoestand is heden anders dan ten tijde van de aanvang van de vervolging. Toen was de verdachte namelijk psychotisch. Die situatie is nu anders geworden doordat de Alzheimer meer op de voorgrond is getreden. Daarom heeft het openbaar ministerie niet gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM.
Oordeel van het hof
Centraal staat de vraag of de verdachte procesbekwaam is en zo niet, welke consequentie daaraan verbonden moet worden. In dat kader heeft het hof ter terechtzitting van 14 november 2022 beslist dat ouderenpsychiater [naam 1] , die al eerder een Pro Justitia rapport over de verdachte heeft opgemaakt met betrekking tot de toerekenbaarheid, een rapport diende op te maken over de vraag of de verdachte lijdende is aan een zodanige psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.
Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat ten tijde van het tenlastegelegde bij de verdachte sprake was van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, die op de voorgrond stond en die zo ernstig was, dat geadviseerd werd om hem de feiten niet toe te rekenen. Daarnaast zijn er vanaf de eerste psychiatrische behandeling in Nederland in 2015 cognitieve klachten geweest, die over de jaren op verschillende wijzen zijn gediagnosticeerd. Uiteindelijk is op
10 april 2021 door neuroloog [naam 3] de diagnose dementie van het Alzheimer type, in een gevorderd stadium, vastgesteld. De toenemende ernst van de dementiële klachten hangt samen met het natuurlijk beloop van de aandoening. Blijkens de Pro Justitia rapporten die zijn opgemaakt in oktober 2022, concluderen de deskundigen dat de psychotische klachten afdoende zijn behandeld en de ernstige neurocognitieve dementiële stoornis op de voorgrond staat.
Blijkens de rapportages van de deskundigen, en meer in het bijzonder die van ouderenpsychiater
[naam 1] van 6 januari 2023, is in het afgelopen anderhalf jaar het neurocognitieve functioneren van de verdachte door de Alzheimerdementie fors verslechterd. Hij heeft ernstige geheugenproblemen in alle bereiken, waardoor hij geen weet meer heeft van het tenlastegelegde en waardoor zijn huidige detentie onbegrijpelijk voor hem is. Daarnaast is de verdachte ernstig beperkt in het vermogen een situatie te overzien en problemen op te lossen. Hij kan aldus zijn praktische en juridische situatie niet overzien. Hij heeft geen begrip van de procedure en de mogelijke consequenties van de strafzaak. Hij is zich niet bewust van de beperkingen in zijn geheugen en begrip, waardoor hij zich ook niet kan laten helpen in het hanteren daarvan. Daar komt bij dat hij niet in staat is met zijn raadsman samen te werken en hem aan te sturen, hetgeen mede blijkt uit de verklaring van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2022.
[naam 1] kwam tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een uiterst beperkte, kortdurende en rudimentaire mate van begrip en een waardeoordeel hierover. Zijn vermogen om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen is sterk ingeperkt.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. L.I.M. van Bergen en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2023.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
===
[…]