Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-06-23
ECLI:NL:GHAMS:2023:1591
Strafrecht
Hoger beroep
4,544 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002645-22
datum uitspraak: 23 juni 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-148442-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1994,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer01] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, - met zijn auto achteruit is gereden, en/of - vervolgens vol gas heeft gegeven, en/of - vooruit de stoep op is gereden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, en/of - waarbij hij, verdachte, met de spiegel van zijn auto het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] aan de linkerzijde heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer01] heeft mishandeld door - met de spiegel van zijn auto het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] te raken en/of, - tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] te rijden;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam [slachtoffer01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door (zakelijk weergegeven) met de door hem bestuurde auto (vol) gas te geven en/of de stoep op te rijden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] .
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt.
Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair en subsidiair ten laste gelegde en dat hij daarvan dus moet worden vrijgesproken.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat op 15 januari 2021 te Amsterdam een incident heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte naar aanleiding van een pakketje dat de verdachte bij de aangever had bezorgd. De verdachte is uiteindelijk in zijn bestelbus gestapt. Uit de aangifte volgt dat de verdachte vervolgens in de richting van de aangever reed en dat deze hierdoor opzij moest springen. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de getuigen [getuige01] en [getuige02] . Het voertuig raakte daarbij de linkerarm van de aangever. De aangever heeft verklaard geen pijn of letsel te hebben opgelopen. De verdachte is daarop weggereden. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg en/of ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zag dat de aangever en zijn partner wegliepen en dat hij rechtdoor is weggereden om -zo begrijpt het hof- de escalerende situatie uit de weg te gaan. Hij heeft ontkend dat hij op de aangever is ingereden. Het hof is echter van oordeel, gelet op de hiervoor genoemde verklaringen en het feit dat de aangever daadwerkelijk is geraakt, dat buiten gerede twijfel vast staat dat verdachte met de bestelbus in de richting van aangever is gereden, die daardoor opzij moest springen. Het hof kan, mede bezien in het licht van het voorgaande, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op de inhoud van het dossier niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte bij het in de richting van aangever rijden het opzet had op de dood van of op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Nu ook overigens niet is gebleken van pijn of letsel bij de aangever, is het hof van oordeel dat de verdachte voorts van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde en dat hij daarvan dus moet worden vrijgesproken.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot veroordeling ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is – voor zover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448).
Gelet op de aard van de hierboven omschreven gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, met name ook omdat aangever daadwerkelijk door de bestelauto is geraakt, is het hof van oordeel dat bij de aangever de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat een bestelbus een zwaar voertuig is dat op een kwetsbare voetganger afreed. Een botsing met de bestelbus had een grote impact kunnen hebben op het lichaam van de aangever. Het hof acht derhalve het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
meer subsidiair
hij op 15 januari 2021 te Amsterdam [slachtoffer01] heeft bedreigd met zware mishandeling door (zakelijk weergegeven) met de door hem bestuurde auto te rijden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] .
Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
50 (vijftig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis
.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juni 2023.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002645-22
datum uitspraak: 23 juni 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-148442-21 tegen
[verdachte01]
,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1994,
adres: [adres01] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer01] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, - met zijn auto achteruit is gereden, en/of - vervolgens vol gas heeft gegeven, en/of - vooruit de stoep op is gereden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen/te remmen, en/of - waarbij hij, verdachte, met de spiegel van zijn auto het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] aan de linkerzijde heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer01] heeft mishandeld door - met de spiegel van zijn auto het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] te raken en/of, - tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer01] te rijden;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Amsterdam [slachtoffer01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door (zakelijk weergegeven) met de door hem bestuurde auto (vol) gas te geven en/of de stoep op te rijden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] .
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt.
Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair en subsidiair ten laste gelegde en dat hij daarvan dus moet worden vrijgesproken.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat op 15 januari 2021 te Amsterdam een incident heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte naar aanleiding van een pakketje dat de verdachte bij de aangever had bezorgd. De verdachte is uiteindelijk in zijn bestelbus gestapt. Uit de aangifte volgt dat de verdachte vervolgens in de richting van de aangever reed en dat deze hierdoor opzij moest springen. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de getuigen [getuige01] en [getuige02] . Het voertuig raakte daarbij de linkerarm van de aangever. De aangever heeft verklaard geen pijn of letsel te hebben opgelopen. De verdachte is daarop weggereden. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg en/of ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zag dat de aangever en zijn partner wegliepen en dat hij rechtdoor is weggereden om -zo begrijpt het hof- de escalerende situatie uit de weg te gaan. Hij heeft ontkend dat hij op de aangever is ingereden. Het hof is echter van oordeel, gelet op de hiervoor genoemde verklaringen en het feit dat de aangever daadwerkelijk is geraakt, dat buiten gerede twijfel vast staat dat verdachte met de bestelbus in de richting van aangever is gereden, die daardoor opzij moest springen. Het hof kan, mede bezien in het licht van het voorgaande, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op de inhoud van het dossier niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte bij het in de richting van aangever rijden het opzet had op de dood van of op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever, ook niet in voorwaardelijke zin, zodat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Nu ook overigens niet is gebleken van pijn of letsel bij de aangever, is het hof van oordeel dat de verdachte voorts van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel vast is te stellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde en dat hij daarvan dus moet worden vrijgesproken.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot veroordeling ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is – voor zover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448).
Gelet op de aard van de hierboven omschreven gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, met name ook omdat aangever daadwerkelijk door de bestelauto is geraakt, is het hof van oordeel dat bij de aangever de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat een bestelbus een zwaar voertuig is dat op een kwetsbare voetganger afreed. Een botsing met de bestelbus had een grote impact kunnen hebben op het lichaam van de aangever. Het hof acht derhalve het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
meer subsidiair
hij op 15 januari 2021 te Amsterdam [slachtoffer01] heeft bedreigd met zware mishandeling door (zakelijk weergegeven) met de door hem bestuurde auto te rijden in de richting van voornoemde [slachtoffer01] .
Hetgeen meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf
voor de duur van
50 (vijftig) uren
, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis
.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juni 2023.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.